Ga direct naar de content

Statistiek

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: september 10 2015

524Jaargang 100 (4717) 10 september 2015
ESB Statistiek
2.0 00.000
3
.0 00.000
4
.0 00.000
5
.0 00.000
6
.0 00.000
2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014
A anta l a ctie ve d eeln em ersA anta l p en sio en uit k erin gen
H
et Amerikaanse nationale elftal liet zich deze zomer kronen
tot wereldkampioen voetbal. Bij de vrouwen welteverstaan.
Gelet op de status van de Verenigde Staten als grootste eco –
nomie ter wereld is dat niet verrassend. Maar als dat de voornaamste
verklaring was voor het succes van de dames, dan hadden we mogen ver –
wachten dat ook de mannelijke Amerikaanse voetbalcollega’s eens we –
reldkampioen zouden zijn geworden. Een factor die bepaalt of een land
kans maakt op een wereldkampioenschap damesvoetbal lijkt de mate van
genderdiscriminatie in een land te zijn. De Amerikaanse radiozender
Public Radio International vergeleek de FIFA-ranking van de vrouwen –
teams enerzijds met een maatstaf voor gendergelijkheid anderzijds. De
maatstaf voor gendergelijkheid is de Gender Inequality Index en werd
ontwikkeld door de Verenigde Naties. Die index kijkt onder meer naar
de vertegenwoordiging van vrouwen in het parlement, de moedersterfte
in het kraambed en arbeidsmarktparticipatie van vrouwen.
De figuur toont duidelijk het verband tussen grotere kansen voor vrou –
wen en de FIFA-score, die een indicatie geeft van de sportieve presta –
ties van het nationale elftal van een land. De figuur laat zien dat vrou –
wen een grotere kans hebben op sportief succes als ze hoger scoren op
de index. Er is uiteraard geen rechtstreeks causaal verband, maar wel
een associatie. In landen waar vrouwen meer kansen krijgen, zullen ze
die kansen ook meer kunnen ontwikkelen, ook op sportief vlak. Dat
hoeft niet te verbazen: hoe meer kansen en rechten vrouwen krijgen,
hoe meer ze zelf kunnen beslissen welke talenten ze ontwikkelen. Uit
veel wetenschappelijke studies blijkt dat vrouwenrechten de motor zijn om een land sneller de ontwikkelingsladder te laten beklimmen. Alfa

betisering van vrouwen, gelijke toegang tot onderwijs, opleiding , ge –
neeskunde, arbeidsmarkt en politiek bepalen in sterke mate of en hoe
snel een land zich ontwikkelt. En dus ook of het meer kans maakt de
wereldbeker voetbal mee naar huis te kunnen nemen. ■
PETER DE KEYZER
(BNP PARIBAS FORTIS)
Gendergelijkheid en voetbalroemi n t e r n at i o n a a l
Aantallen pensioenuitkeringen en actieve fondsdeelnemersp e n s i o e n e n
H
et aantal verstrekte pensioenuitkeringen door pensioenfond –
sen is in 2014 wederom gestegen. Deze ontwikkeling hangt
nauw samen met de vergrijzing van de Nederlandse bevolking.
Pensioenfondsen verstrekten in het afgelopen jaar meer dan 3,1 miljoen
pensioenuitkeringen (figuur). Het aantal pensioengerechtigden is echter
kleiner dan het aantal pensioenuitkeringen, omdat pensioengerechtigden
van meerdere pensioenfondsen een pensioenuitkering kunnen ontvangen.
Het aantal pensioenuitkeringen steeg met 19 procent ten opzichte van
2008, toen er 2,6 miljoen pensioenuitkeringen verstrekt werden. Deze
toename vond vooral plaats bij de uitkeringen van ouderdomspensioen en
minder bij andere pensioenvormen zoals partnerpensioen. De uitkeringen
aan de gepensioneerden in de leeftijdsgroep 65 tot 70 jaar zijn tussen 2008
en 2014 toegenomen met bijna 300.000 tot 935.000, een toename van
maar liefst 43 procent. Verder is het aantal uitkeringen aan negentigplus-
sers in diezelfde periode met 33 procent toegenomen tot 100.000.
Daarentegen is het aantal actieve deelnemers bij pensioenfondsen in de
afgelopen jaren afgenomen. Actieve deelnemers zijn werkenden die pen –
sioen opbouwen bij een pensioenfonds. In 2010 was er een kleine piek
waarneembaar voor wat betreft actieve deelnemers. In dat jaar bouwden
zo’n 5,8 miljoen personen pensioen op bij een pensioenfonds. In 2014
is dit aantal afgenomen tot 5,4 miljoen actieve deelnemers. De meeste
actieven zijn tussen de 50 en 55 jaar, namelijk meer dan 725.000 perso –
nen. Dit is in lijn met de leeftijdsopbouw van de beroepsbevolking. De
groep actieven in de leeftijdscategorie 65 tot 70 is in periode 2008–2014
het meest gegroeid. Dit aantal verdrievoudigde tot meer dan 10.000 ac- tieven. Ook bij actieve deelnemers is het mogelijk dat één persoon bij
meerdere pensioenfondsen pensioen opbouwt, waardoor er dubbeltel

lingen in de cijfers kunnen zitten.
Het aantal personen dat als gewezen deelnemer staat geregistreerd is
in 2014 gestegen van 8,8 miljoen tot ruim 9 miljoen. In 2008 ging het
nog om 9,3 miljoen personen. Een gewezen deelnemer is iemand die in
het verleden pensioen heeft opgebouwd bij een pensioenfonds, maar
nog niet pensioengerechtigd is. Vaak zijn dit werknemers die van baan
zijn veranderd en het pensioen niet hebben overgedragen. Eén persoon
kan bij meerdere pensioenfondsen als gewezen deelnemer geregistreerd
staan.
■ LISANNE MAAS (DNB)
Correlatie gendergelijkheid met FIFA-score
Bron: IPR
Ontwikkeling aantallen actieve deelnemers en
uitkeringen bij pensioenfondsen
Bron: DNB
750
1000
1250
1500
1750
2000
0
Gender Inequality Index (0=geen
ongelijkheid, 100=totale ongelijkheid)
20
40
60
80

525Jaargang 100 (4717) 10 september 2015
Statistiek ESB
05
10 15
20 25
30 35
40jan
mrt
m ei
jul
s ep
nov
jan
mrt
m ei
jul
s ep
nov jan
mrt
m ei
jul
s ep
nov jan
mrt
m ei
jul
s ep
nov
jan
mrt
m ei
jul201 1 2012 201320142015
I
n proc enten v an het t ot aal
0
In procenten
¹ Meerdere antwoorden mogelijk
1 0 20 30 40
M
ijn w erk g eve r w ild e d at i k a ls z e lf s ta ndig e g in g w erk en
I
k b en i n gesta pt i n h et f a m ilie b ed rijf
I
n m ijn v o rig e b aan w as d e w erk sfe er n ie t g oed
I
k b en o nts la gen o f m ijn v o rig e c o ntra ct i s n ie t v e rle n gd
A
nders
I
k k o n g een g esch ik te b aan v in den a ls w erk n em er (in
I
k k o n m eer v e rd ie n en a ls z e lf s ta ndig e
I
k w ild e w erk e n p riv é b ete r k u nnen c o m bin ere n
M
ijn b ero ep w ord t m eesta l a ls z e lf s ta ndig e u it g eo e
fe n d
I
k w ild e n ie t ( m eer) v o or e en b aas w erk en
I
k h eb a lt ijd a l a ls z e lf s ta ndig e w ille n w erk en
I
k w ild e z e lf b ep ale n h oeve el e n w anneer ik w erk
I
k z o ch t e en n ie u w e u it d agin g
Zzp nie u wZzp kla ssie kZ mp
D
eflatie was een veelgebruikt woord op internet rond de jaar –
wisseling toen in Nederland en in het eurogebied de con –
sumptieprijzen begonnen te dalen ten opzichte van dezelfde
maand een jaar eerder. Maar meestal wordt het woord te snel gebruikt.
Van deflatie is immers slechts sprake als we te maken hebben met langdu –
rige prijsdalingen voor een groot aantal goederen en diensten, waardoor
er een negatieve economische spiraal op gang zou kunnen komen. Dit
is niet het geval bij een kortstondige duikeling van bijvoorbeeld ener -gieproducten, zoals begin dit jaar.. De ophef over deflatie laat zien dat
niet kan worden volstaan met de analyse van één enkele indicator. Dit
is de reden dat bijvoorbeeld Eurostat naast de algemene prijsstijging ook
informatie verschaft over de prijsstijging exclusief voedingsmiddelen en
energie. Deze producten kunnen door bijvoorbeeld misoogsten of po

litieke ontwikkelingen forse tijdelijke prijsveranderingen laten zien die
weinig verband houden met de onderliggende economische situatie.
Een andere manier om het inflatiecijfer te zuiveren voor grote (tijde –
lijke) uitschieters is door de mediaan te nemen: voor 50 procent van de
goederen en diensten is de inflatie hoger dan deze mediaan en voor 50
procent is de inflatie lager. Dit is bijvoorbeeld wat de Federal Reserve
of Cleveland doet voor de Verenigde Staten. Een andere nuttige indi-
cator is het aandeel van goederen en diensten in het gebruikte mandje
voor de consumptieprijsindex waarvoor de prijzen dalen. De figuur laat
deze indicator zien voor het eurogebied. In juli was in het eurogebied
voor 23 procent van de consumptiegoederen en diensten sprake van een
prijsdaling ten opzichte van juli 2014. Voor 77 procent van de goede –
ren en diensten, dus het overgrote deel, hield de prijsstijging aan. Ook in
het begin van dit jaar was dit voor een meerderheid van de goederen en
diensten het geval en was er dus in dat opzicht geen sprake van deflatie.
Het is verstandig meerdere indicatoren te onderzoeken voordat de term
deflatie wordt gebruikt.
■ WIM SUYKER (CPB)
Wel of geen deflatie in het eurogebiedf i n a n c i ë l e m a r k t e n
o n d e r n e m e r s c h a p
& i n n o vat i e
I
n 2014 waren er in totaal bijna 1,4 miljoen zelfstandigen in Neder –
land, een aantal dat de afgelopen jaren sterk is gegroeid. De groei
wordt veroorzaakt door het aantal zelfstandigen zonder personeel
(zzp’ers), dat toenam van 865.000 personen in 2010 tot 988.000 perso –
nen in 2014. Wat zijn de motieven om zelfstandig ondernemer te wor –
den? En wat zijn daarbij de verschillen tussen zelfstandigen met perso –
neel en zzp’ers? Binnen de groep zzp’ers is het van belang om onderscheid te maken tussen
klassieke zzp’ers en nieuwe zzp’ers. Klassieke zzp’ers produceren of verko

pen vooral goederen of grondstoffen, zoals boeren en winkeliers. Nieuwe
zzp’ers bieden vooral hun eigen arbeid aan, zoals adviseurs en bouwvak –
kers. Bijna driekwart van de zzp’ers behoort tot de groep nieuwe zzp’ers.
De motieven om als zelfstandige aan de slag te gaan lopen bij de verschil –
lende groepen uiteen. Bij nieuwe zzp’ers is het zoeken naar een nieuwe
uitdaging de meest genoemde reden, gevolgd door het zelf kunnen be –
palen van de hoeveelheid werk en de werktijden. Het zelfstandig onder –
nemerschap ‘als roeping’ is het derde meest genoemde argument. Verder
valt op dat nieuwe zzp’ers, vergeleken met de andere groepen zelfstan –
digen, meer dan twee keer zo vaak aangeven dat ze geen geschikte baan
konden vinden als werknemer. Tegelijkertijd geven ze vaker aan dat ze als
zelfstandige meer konden verdienen.
In tegenstelling tot nieuwe zzp’ers geven klassieke zzp’ers vaak aan dat
ze zijn ingestapt in het familiebedrijf. Met name in de agrarische sector
is dit vaak een reden. Een ander belangrijk verschil met nieuwe zzp’ers
is dat klassieke zzp’ers veel minder vaak aangeven aan dat ze zelf wilden
bepalen hoeveel en wanneer ze werken.
Bij zelfstandigen met personeel is het ‘altijd al als zelfstandige hebben
willen werken’ de meest genoemde reden. Ook voor hen is de uitdaging
en het instappen in een familiebedrijf een belangrijk motief. ■
WOUTER
VAN DER TORRE (TNO) EN BOUKJE JANSSEN (CBS)
Kiezen voor zelfstandig ondernemerschap
Aandeel van goederen en diensten met een
prijsdaling in totaal goederenpakket, eurozone
Bron: eurostat
Welke omstandigheden maakten dat u als
zelfstandige ging werken?¹
Bron: ZEA 2015, CBS / TNO

Auteurs