Ga direct naar de content

Vergrijzing en economische groei

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: mei 10 2000

Vergrijzing en economische groei
Aute ur(s ):
Groot, H.L.F., de (auteur)
Nahuis, R. (auteur)
Canton, E.J.F. (auteur)
De eerste auteur is verb onden aan de vakgroep Ruimtelijke Economie van de Vrije Universiteit in Amsterdam. De tweede en derde auteur zijn
verb onden aan het Centraal Planbureau in Den Haag. Zij danken collega’s voor nuttig commentaar.
Ve rs che ne n in:
ESB, 85e jaargang, nr. 4255, pagina 395, 12 mei 2000 (datum)
Rubrie k :
Uit de vakliteratuur
Tre fw oord(e n):
macro-economie

Nederland vergrijst. Over de gevolgen hiervan voor technologische ontwikkeling en economische groei is zeer weinig bekend. Dat er
een significant effect van leeftijdsopbouw op productiviteitsontwikkeling kan bestaan, heeft weinig aandacht gekregen. In theorie zijn
er verschillende effecten op te voeren. Het meest voor de hand liggende effect hangt samen met ervaring. Een relatief ‘oude’ groep
werknemers kan veel specifieke kennis over het werken met bepaalde technologieën hebben opgebouwd. Dit bevordert productiviteit.
Anderzijds kan ervaring met een bepaalde oude technologie leiden tot weerstand tegen het overstappen op een nieuwe, en wellicht
betere, technologie. De praktijk leert dat werknemers in ‘oude’ bedrijven de introductie van nieuwe technologie uit kunnen stellen.
Het belang van deze twee ervaringseffecten voor het begrijpen van technologische ontwikkeling is recent benadrukt door Helpman en
Rangel 1. Ouderen kunnen ook in het algemeen meer moeite hebben met veranderingen die gepaard gaan met technologische
vernieuwingen. Anders dan de eerste twee effecten kan dit effect ook betrekking hebben op niet werkenden, respectievelijk 65plussers. Wanneer vergrijzing een negatief effect heeft op besparingen, kan vergrijzing, volgens de endogene groeitheorie, negatieve
consequenties hebben voor economische groei omdat het investeringen in fysiek en menselijk kapitaal bemoeilijkt.
Over het kwantitatieve belang van de hierboven beschreven – deels tegen elkaar inwerkende – effecten is recent een artikel verschenen
van Lindh en Malmberg 2. Zij onderzoeken het effect van leeftijdsopbouw op economische groei over de periode 1950-1990. Daartoe
hanteren ze het inmiddels klassieke artikel van Mankiw, Romer en Weil 3 en passen dit aan door te veronderstellen dat de productiviteit
van menselijk kapitaal afhankelijk is van de leeftijdsopbouw in een land. Hoewel de auteurs geen duidelijk theoretisch mechanisme
inbouwen, suggereren ze dat dit te maken kan hebben met bijvoorbeeld ervaring die werknemers gedurende hun werkzame leven
opbouwen. Primair is hun analyse echter gericht op het onderzoeken of er in de data een statistisch significant effect bestaat van
leeftijdsopbouw op groei.
In de empirische analyse onderscheiden Lindh en Malmberg vier leeftijdsgroepen: jong-volwassenen (15-29), volwassenen (30-49),
ouderen (50-64) en bejaarden (65+). Ze laten op overtuigende wijze zien dat er een significant en robuust positief verband is tussen de
groei van productiviteit per arbeider (dus exclusief de 65+ groep) en het aandeel ouderen, terwijl er een robuust en significant negatief
verband is tussen productiviteitsgroei en het aantal bejaarden. Op het eerste oog lijkt dit een triviaal resultaat. Verklaringen voor de
laatste bevinding die echter niet van toepassing zijn, zijn een noemer effect (de afhankelijke variabele is immers bnp per werkende) of een
veranderende wig (de afhankelijke variabele meet immers productie en niet besteedbaar inkomen). De resultaten beschrijven dus een
reëel fenomeen. Uit de analyse blijkt dan dat de leeftijdsopbouw sinds het begin van de jaren zestig een negatieve bijdrage heeft
geleverd aan economische groei, veroorzaakt door een forse toename van het aantal 65-plussers in die periode. Wanneer we de
resultaten van Lindh en Malmberg gebruiken voor een prognose van de economische groei in Nederland ontstaat het volgende beeld.
Tussen 1990 en 2010 mogen we een (tijdelijke) positieve bijdrage van ontwikkeling van leeftijdsopbouw aan economische groei
verwachten. Doorslaggevend hiervoor is de sterke toename van het aantal ouderen (50-64) in deze periode. Het betreft hier de
naoorlogse ‘baby-boomers’ die gedurende deze periode de leeftijd bereiken waarop ze door hun opgebouwde ervaring een (additionele)
positieve bijdrage aan economische groei gaan leveren. Na 2010 hangt ons echter een hernieuwde groeivertraging boven het hoofd die
veroorzaakt zal worden doordat de ‘baby-boom’-generatie het werkzame leven zal hebben beëindigd.
Lindh en Malmberg leveren met hun bijdrage een eerste aanwijzing dat vergrijzing – tot op heden veronachtzaamde – effecten kan hebben
op economische groei. Gegeven de aanstaande vergrijzing is dit een effect dat serieus genomen dient te worden door beleidsmakers. Wel
is een belangrijke beperking van de hier beschreven analyse dat er geen theoretische verklaring wordt gegeven voor de gevonden
resultaten en de achterliggende mechanismen. Nader onderzoek naar de potentiële mechanismen die voor de gevonden resultaten
verantwoordelijk zijn, is wenselijk. Kennis over deze mechanismen en inzicht in hoe ouderen de groei positief of negatief beïnvloeden kan
beleidsmakers de instrumenten aandragen om op een adequate manier de gevolgen van de vergrijzing te lijf te gaan.

1 E. Helpman en A. Rangel, Adjusting to a new technology: experience and training, Journal of Economic Growth, 1999, blz. 359-383.
2 T. Lindh en B. Malmberg, Age structure effects and growth in the OECD, 1950-1990, Journal of Population Economics, 1999, blz. 431449.

449.
3 N.G. Mankiw, D. Romer en D.N. Weil, A contribution to the empirics of economic growth, Quarterly Journal of Economics , 1992, blz.
407-437.

Copyright © 2000 – 2003 Economisch Statistische Berichten ( www.economie.nl)

Auteurs