Ga direct naar de content

Globalisering doet meer dan je denkt

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: september 8 1999

Globalisering doet meer dan je denkt
Aute ur(s ):
Went, R. (auteur)
De auteur is onder verb onden aan de economische faculteit van de UvA.
Ve rs che ne n in:
ESB, 84e jaargang, nr. 4222, pagina D14, 30 september 1999 (datum)
Rubrie k :
Dossier Oorzaken van armoede
Tre fw oord(e n):
handel

Dit artikel is een reactie op:
J.H. Garretsen en J. Peetsers, Globalisering en armoede, ESB-Dossier, 30 september 1999, blz. D10-D13.
‘Globalisering met een menselijk gezicht’ – daarvoor pleit het United Nations Development Programme (UNDP) in haar onlangs
verschenen Human Development Report 1, omdat de wereld meer rijkdommen en technologische mogelijkheden heeft dan ooit, maar
de sociale verschillen tussen en binnen landen de afgelopen twintig jaar systematisch zijn toegenomen. Ook de secretaris-generaal
van de UNCTAD waarschuwde voor de toenemende globalisering van armoede en ongelijkheid: als gevolg van de ‘ontketening van
marktkrachten’ is sinds 1980 het aandeel van de winsten overal gestegen en is de groeiende inkomensongelijkheid tussen geschoolde
en ongeschoolde werknemers niet langer slechts een probleem voor het Noorden maar een mondiaal vraagstuk, schreef hij twee jaar
geleden 2.
Veel economen hebben voor zulke beschouwingen geen geduld, want de theorie voorspelt convergentie (in plaats van divergentie) als
resultaat van vrijhandel en vrij kapitaalverkeer, en wie twijfelt aan de ongekende voordelen van handel moet Ricardo nog maar eens
herlezen. Volgens Rodrik plaatsen deze economen zich bij voorbaat buiten het alom gevoerde beleidsdebat over mondialisering, omdat zij
‘too Panglossian’ zijn over de consequenties van globalisering 3. Dat geldt niet voor Garretsen en Peeters, die immers niet op voorhand
uitsluiten dat een relatie bestaat tussen globalisering en divergerende inkomens- en werkgelegenheidsontwikkelingen. Op de vraag of
handel met lage-lonenlanden de positie van laaggeschoolden in Nederland kan verklaren antwoorden zij dat “technologische
vooruitgang en, voor de open sector, handel samen verantwoordelijk” zijn voor de relatieve vraag naar laaggeschoolde arbeid in ons
land, als we even afzien van eventuele aanbod-effecten. Een weinig verrassende conclusie gezien de geringe omvang van de handel
vanuit ons land – of de Europese Unie als geheel – met emerging markets 4.
Maar globalisering, waar de auteurs de gevolgen van willen onderzoeken, betreft véél meer dan handel met lage-lonenlanden. Zij
schrijven zich daartoe te beperken omdat “het globaliseringsdebat in de Westerse industrielanden nu eenmaal met name gaat over de
vraag hoe de toename van internationale handel, en in het bijzonder van de handel tussen de Westerse landen en de zogenaamde
emerging markets, de westerse economieën beïnvloedt.” Maar die restrictie is precies het grote probleem van dat debat, want indirecte of
minder gemakkelijk meetbare gevolgen blijven daardoor buiten beeld. Waar moeten we dan aan denken? De UNDP hamert – niet als enige
of eerste – op de sociale gevolgen van de verregaande financiële globalisering, met name in opkomende markten als Zuid-Korea en
Taiwan. Dichter bij huis argumenteert Rodrik dat de fixatie van economen op handel met lage-lonenlanden bij het evalueren van de
effecten van mondialisering voorbijgaat aan het feit dat minder geschoolde werkenden in Duitsland of Frankrijk door globalisering (of, zo
u wilt regionalisering) in toenemende mate moeten concurreren met vergelijkbare werkenden in bijvoorbeeld Engeland of de VS: “Terwijl
Noord-Noord handel weinig waarneembare impact heeft op de relatieve vraag naar ongeschoolde arbeid, maakt zij deze vraag wel meer
elastisch in alle betrokken landen”, aangezien werkenden tegenwoordig gemakkelijker ‘ingeruild’ kunnen worden voor collegae uit andere
landen. En zowel Rodrik als de UNDP wijzen er tot slot op dat de toenemende globalisering van kapitaal en ondernemingen de
mogelijkheden van overheden inperkt om sociale programma’s te financieren, aangezien het uiterst mobiele kapitaal (denk ook aan
beleidsconcurrentie) steeds moeilijker fiscaal te belasten is.
Globalisering heeft zo beschouwd veel meer gevolgen voor armoede en inkomensongelijkheid dan op het eerste gezicht lijkt. En het in
beschouwing nemen van zulke meer indirecte gevolgen van globalisering leidt wat mij betreft tevens tot het plaatsen van vraagtekens bij
de schijnbare vanzelfsprekendheid van vrijhandel en vrij kapitaalverkeer.

ESB-Dossier: Oorzaken van armoede
Ten geleide
A. Doelman-Pel, Armoede in het debat

Inleiding
R.H.J.M. Gradus en N.H.J.M. Huppertz, Het meten van armoede
J.L. de Kruijk, Hoe arm zijn de armen?
Handel
J.H. Garretsen en J. Peeters, Globalisering en armoede
R. Went, Globalisering doet meer dan je denkt
Technologie
L.L.G. Soete en B. ter Weel, Technologie vraagt om meer persoonlijke vaardigheden
B. Cantillon, Armoede en ondergewaardeerde vormen van werk
Beleid
B.M.S. van Praag, Ouderen en alleenstaanden: pas op voor de armoedeval!
W. Derksen, Mensen zijn arm omdat andere mensen dat vinden
Maatschappij
B. Goudzwaard, Armoede vanuit maatschappelijk perspectief
R. Janssen, De achterzijde van de verrijking
Epiloog
H.A. Keuzenkamp, Oorzaken van armoede

1 United Nations Development Programme (UNDP), Human Development Report 1999, Oxford University Press, New York en
Oxford,1999.
2 R. Ricupero, Overview, in United Nations Conference on Trade and Development, Trade and Development Report 1997, Verenigde
Naties, New York en Geneve, 1997.
3 D. Rodrik, Has globalization gone too far?, Institute for International Economics, Washington DC, 1997.
4 De Europese Commissie wees daar bijvoorbeeld ook op in haar economisch jaarrapport voor 1997, European Economy, nr. 63

Copyright © 1999 – 2003 Economisch Statistische Berichten (www.economie.nl)

Auteur