Ga direct naar de content

Groei en convergentie

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: juni 28 1995

Groei en convergentie
De macro-economie en econometrie hebben van
oudsher een onstuimige maar ook moeizame reiatie. Van de oorspronkelijk hoog gestemde verwachtingen en hoop op een vruchtbaar verbond was
rond 1980 niet veel over. Maar juist toen de definitieve scheiding nabij was, werd een nieuwe impuls
gegeven. Econometristen hebben weer volop werk
sinds het verschijnen van de dataverzamelingen van
Maddison en Summers en Heston. De data-set van
de twee laatsten, gebaseerd op nationale rekeningen van meer dan honderd landen, aangevuld met
politieke en culturele proxies, lijkt heel wat mogelijkheden te bieden voor baanbrekend onderzoek.
Mede gemspireerd door de opkomst van de nieuwe, endogene, groeitheorie is er sprake van een explosie van empirische literatuur over economische
groei.
Enkele resultaten. Barro en Sala-i-Martin vinden
in een cross-sectie van ruim negentig landen positieve verbanden tussen groei en de mate van scholing,
levensverwachting en publieke uitgaven aan scholing (als maatstaf voor de kwaliteit van het genoten
onderwijs). Negatieve verbanden warden gevonden
tussen groei en overheidsconsumptie, de zwarte
markt premie op buitenlandse valuta (beide kunnen
warden gezien als maatstaven voor marktverstoringen) en politieke instabiliteit (een maatstaf voor de
bedreiging van eigendomsrechten).
De empirische literatuur is echter niet zonder problemen. Veel van de gevonden verbanden blijken
zo gevoelig voor kleine veranderingen in modelspecificaties dot, per soldo, alleen investeringen een
‘robuuste’ invloed hebben op groei. En zelfs hier is
sprake van twijfel: volgens Barro en Sala-i-Martin is
het goed mogelijk dat de causaliteit precies omgekeerd ligt: rijke landen sparen en investeren gewoon meer dan arme landen.
Wellicht het meest in het oog springend is de
discussie in de literatuur over groei en convergentie.
Landen met een relatief laag inkomen per hoofd
groeien sneller dan landen met een relatief hoog
per capita inkomen. Op het eerste gezicht lijkt er
sprake van een baanbrekend resultaat. Studies met
verschillende data, verschillende technieken en verVerdeling van de genormaUseente output per
arbeider; 1962, 1974 en 1985; 118 landen

schillende specificaties suggereren een convergentiegraad van 2-3% per jaar. Dit percentage staat bekend als (3, en heeft nog net niet de status van een
nieuwe natuurlijke constante in de macro-economie.
Een belangrijke kanttekening is echter op zijn
plaats. Het gevonden resultaat impliceert niet dat
landen convergeren in die zin dat de arme landen
toegroeien naar de rijke. Er blijkt sprake van een
statistische illusie die zo oud is als de regressie-analyse zelf. Vandaar de naam: Go/ton’s fallacy, naar
de grondlegger van de regressie, Francis Galton .
In de jaren na 1885 schreef Galton regelmatig
over het verschijnsel ‘regression to mediocrity’. Het
bekendste voorbeeld betreft de lichaamslengte van
ouders en kind. Bovengemiddeld lange ouders krijgen bovengemiddeld lange kinderen, maar de lengte van de kinderen ligt dichter bij het gemiddelde
dan die van de ouders. Het woord ‘regressie’ kreeg
een algemene betekenis in de statistiek, terwijl de
gevonden regressie-coefficient van 2/3 een eigen
leven ging leiden in Galton’s erfelijkheidstheorie.
Hetzelfde gebeurde later met de marginale consumptiequote in Keynesiaanse consumptiefuncties, en nu
weer met P in de groeiliteratuur.
Regressievergelijkingen geven echter niet altijd
juiste informatie over vermeende wetmatigheden.
‘Regression to the mean’ wil met andere woorden
niet zeggen dat de spreiding van de lichaamslengte
over de tijd afneemt. Naar analogie geldt dat een
verband tussen het initiele per capita inkomen en de
economische groei niet impliceert dat de arme
landen toegroeien naar de rijke.
Om werkelijk zinvolle informatie over convergentie te krijgen en om de robuustheid van de convergentietheorie na te gaan, dient de hele verdeling
van landen, van arm tot rijk, beschouwd te warden.
Danny Quah heeft daartoe een paging gedaan.
Voor een aantal jaren (1962, 1974 en 1985) is hij
nagegaan hoe de verdeling van landen emit ziet
als gelet wordt op de produktie per arbeider. De
produktie per arbeider in een land relateerde hij
aan de gemiddelde produktie per arbeider in de
wereld (de waarde 1 staat dus gelijk aan het wereldgemiddelde). Het resultaat is te zien in de drie figuren. Wat blijkt? Van convergentie van arm en rijk is
nauwelijks sprake. De verdeling is en blijft scheef,
ook na verschillende statistische toetsen.
De conclusie van Quah is dat de internationale
economic polariseert: er is een club arme landen,
en een club rijke landen. Binnen de clubs is er
sprake van convergentie, maar het verschil tussen
de clubs wordt groter. Dit is een resultaat dat de
oplettende krantelezer wellicht plausibeler in de
oren klinkt dan een uniforme convergentiegraad.

<
>

7

•73
>

* Henri de
Groot is aio

bij de vakgroep Algeme-

ne economie
van de KUB,
Hugo Keuzenkamp is universitair decent
bij de vakgroep Algemene economie
van de KUB en
is research
affiliate van
het Centre for
the Philosophy

Henri de Groot en Hugo Keuzenkamp*
1. R.J. Barro en X. Sala-i-Martin, Economic growth, McGraw-Hill,

New York, 1995.
2. D. Quah, Galton’s fallacy and tests of the convergence hypothesis, Scandinavian Journal of Economics, 1993, biz. 427-443.

ESB 28-6-1995

of the Natural
and the Social
Sciences van
de London
School of
Economics.

Auteurs