Ga direct naar de content

De gevolgen van de nieuwe vestigingswet

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: november 25 1993

De gevolgen van de
nieuwe vestigingswet
M.A. Carree, P. Fris en A.R. Thurik*

D

e vestigingswetgeving ondergaat in 1996 een belangrijke versoepeling. Atterlei
gedetailleerde regelingen voor specifieke branches warden afgeschaft. In dit
artikel wordt op basis van een empirische analyse geconcludeerd dot dit voor de
detailhandel een grotere marktdynamiek zal opleveren. Dit kan zowel de
werkgelegenheid als de keuzemogelijheden voor de consument ten goede komen.

De zorg om de dynamiek van onze rationale arbeidsmarkt wordt door velen gedeeld. Toch komen zaken
als de algemeen verbindend verklaring van cao’s, het
niveau van het minimumloon, lange procedures bij
ontslag, en de gebrekkige relatie tussen beloning en
prestatie maar langzaam van hun plaats. Anders is
het gesteld met het niveau van de dynamiek van
onze goederen- en dienstenmarkt. Alhoewel hierover
ook zorg is, komen beleidsaanpassingen met betrekking tot deze markten voortvarender tot stand. Dit
komt door een geringere politieke lading, een
opstuwend en richtinggevend EG-regime en een
steeds actiever beleid vanwege het Ministerie van
Economische Zaken (EZ).
Het mededingings- en ordeningsbeleid zijn twee
dimensies van de inzet van EZ. De vestigingswetgeving is onderdeel van het ordeningsbeleid. Onlangs
is besloten deze wetgeving per 1 januari 1996 te
versoepelen. Dit heeft consequenties voor vele tienduizenden ondernemingen. In dit artikel zal aan de
hand van twee recent ontwikkelde modellen worden
nagegaan of de versoepeling van de vestigingswet
inderdaad tot een hogere mate van dynamiek zal
leiden. Wij zullen ons hierbij beperken tot de
gevolgen voor de detailhandel. Er zal blijken dat een
hogere mate van dynamiek inderdaad verwacht mag
worden: toe- en uittreding en winstaanpassingen
zullen sneller verlopen.

Ruim 90 verschillende bedrijfstakken, onder meer in
de industrie, bouwnijverheid, horeca en detailhandel,
vallen onder de huidige vestigingswetgeving.
De vestigingsregelingen zijn over het algemeen
niet flexibel. Doordat eisen van handelskennis en
vakbekwaamheid gekoppeld zijn aan voor de
produktie toegepaste technieken uit de jaren vijftig,
is er een nu achterhaalde afbakening ontstaan die
parallellisatie (branchevervaging) bemoeilijkt. Dameskappers en herenkappers vallen bij voorbeeld onder
afzonderlijke regelingen. Ook redelijk vergelijkbare
ambachten als metselaars, stukadoors, vloerenleggers
en tegelzetters vallen onder verschillende regelingen.

De nieuwe vestigingswet

In 1991 heeft EZ, in samenspraak met de ondernemersorganisaties, besloten om tot een modernisering
van de bestaande vestigingsregelingen over te gaan.
De twee belangrijkste redenen hiervoor waren de
steeds moeilijker uitvoerbaarheid van de wetgeving
omdat deze niet meer op de praktijk van het ondernemen aansloot, en het beleid om de dynamiek in de
marktsector te versterken. Naar de mening van de
minister levert de huidige vestigingswet trouwens
slechts een beperkte bijdrage aan de belangen van
veiligheid, volksgezondheid en milieu. Volgens hem
is wetgeving die aangrijpt bij de feitelijke activiteiten
in een onderneming, zoals bij voorbeeld de Warenwet, een beter middel.
In de nieuwe wetgeving, die in principe per 1 januari 1996 van kracht zal worden, zijn de branches

Het ordeningsbeleid van EZ omvat zaken als de vestigingswetgeving, de winkelsluitingswet (gewijzigd
m.i.v. 1 januari 1993) en wetgeving betreffende vrije
beroepen. De huidige Vestigingswet Bedrijven stamt
uit 1954. Hierin worden eisen gesteld aan startende
ondernemers op het gebied van handelskennis en
vakbekwaamheid.. Het hoofddoel van deze vestigingswet (en de daarop volgende Drank- en Horecawet
1964 alsmede de Vestigingswet Detailhandel 1971) is
het bevorderen van een goede bedrijfsuitoefening.

* M.A. Carree is oio bij het Tinbergen Instituut en het Centre
for Advanced Small Business Economics (CASBEC) aan de
EUR. P. Fris is onderzoeker bij het Centrum voor Retail
Research (CRR) van het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM) en A.R. Thurik is directeur
Fundamenteel Onderzoek van het EIM en hoogleraar Economic van het Midden- en Kleinbedrijf aan de EUR, waar
hij tevens directeur van CASBEC is. Zij bedanken H. van
Schaik voor het samenstellen van de databestanden.

ingedeeld in drie niveaus . Voor niveau A zal in het
geheel geen toetredingsbewijs meer nodig zijn. Voor
niveau B worden er eisen gesteld aan algemene ondernemersvaardigheden, terwijl op niveau C ook nog
eisen op het gebied van de bedrijfstechniek gesteld
gaan worden.
In principe kan in deze nieuwe regeling een ondernemer zonder extra diploma’s in verschillende

branches werkzaam zijn, mits deze niet behoren tot
een hoger vestigingsniveau dan waarin de onder-

nemer thuis hoort. Uitzonderingen hierop ontstaan
bij het instellen van clusters van branches, zoals de
algemene aannemerij, de autocluster (autobedrijf en
carosserieherstelbedrijO en de installatiecluster (waaronder het loodgietersbedrijf). Aan toetreding tot deze
clusters worden specifleke eisen in de vorm van vakdiploma’s gesteld, zij worden in niveau C geplaatst.
Maar feit blijft dat in de nieuwe situatie voor veel
branches de wettelijke toetredingsdrempel lager zal
komen te liggen dan voorheen.
Het belangrijkste oogmerk van de verlaging van
toetredingsdrempels is vergroting van de marktdynamiek. Dynamiek is uiteraard geen doel op zich.
Het moet leiden tot het afkalven van onterecht hoge
prijzen (ofwel tot snelle winstaanpassingen) en tot
zinvolle vernieuwing. Deze vernieuwing moet tot
stand komen door het verdwijnen van ‘slechte’ ondernemingen en het verschijnen van ‘goede’. Hierdoor
kan niet alleen de vraag en het aantal ondernemingen, maar ook de werkgelegenheid toenemen. De
gedachte is dan dat overheidsingrijpen in een goed
functionerende markt overbodig is omdat de concurrentie daar vanzelf leidt tot het verdwijnen van ondernemingen met een slecht kwaliteitsaanbod.
In deze bijdrage beperken wij ons tot de detailhandel. Ons doel is namelijk om met behulp van
kwantitatief economische analyses voorspellingen te
doen. Alleen voor de detailhandel is er op dit moment voldoende gedetailleerd datamateriaal voorhanden om betrouwbare modelschattingen te maken .

Tabel 1. De verklaring van toetreding en uittreding; meervoudige re-

gressie-resultaten voor 23 branches in de detatlbandel (1981-1988)
Verklarendcvariabele
• Winstgevendheid0
• Groei van de vraagd
• Groei werldoosheid6

• Mate van franchising’
• Aandeel van kleinbedrijf8

• Investeringsvereisteh

Toetreding”
0,015
0,025
0,035
0,200
-0,143
-0,012

(1.9)

(0,6)
(2,5)
(2,6)
(1,5)
(2,9)

ESB 24-11-1993

-0,013
-0,054
-0,013
0,152
0,009
-0,002

(2,2)
(1,7)
(1,1)
(2,8)
(0,1)
(0,6)

T-waatden tussen haakjes.
a. Aantal toetredende bedrijven in de branche gedeeld door het totaal aantal
bedrijven in het jaar ervoor.
b. Aantal uittredende bedrijven in de branche gedeeld door het totaal aantal
bedrijven in het jaar ervoor.
c. Gemiddelde winst in de branche in het jaar voor de te verklaren toe- dan

wel uittreding gedeeld door modaal inkomen in datzelfde jaar.
d. Reete omzetgroei in het jaar voor de te verklaren toe- dan wel uittreding
van produkten verkocht in de branche (als perunage uitgedrukt).
e. Groei van het aantal werldozen (in miljoenen personen uitgedrukt).
f. Aantal franchisezaken in de branche gedeeld door het totaal aantal bedrijven.

g. Omzetaandeel van bedrijven tot 10 werknemers in de branche.

h. Gemiddelde vloeroppervlakte in de branche (in 10.000 m2 uitgedrukt) vermenigvuldigd met de huur per vierkante meter voor die branche in 1988 (bij
het eerste kwaitlel: 25% betaalt deze huur of minder, de overige 75% betaalt
meer).

nemingen voor het niveau B gesteld gaan worden.
De nieuwe wet houdt voor deze bedrijven geen verandering in, omdat alle branches in de detailhandel
op niveau B worden geplaatst. De andere 9 branches
kennen op dit moment nog specifieke eisen tot toetreding, die met de nieuwe wetgeving worden afgeschaft. Er wordt met behulp van het eerste model
voor de periode 1981-1988 bekeken of branches met
strengere eisen door hogere vestigingsbarrieres en
langere vervangingsperiodes gekenmerkt worden.
In het tweede model wordt meervoudige regressieanalyse gebruikt om te analyseren in hoeverre
winstaanpassingen sneller verlopen in branches met
slechts algemene eisen ten aanzien van ondernemersvaardigheden dan in branches met specifieke eisen.

De modellen
In deze bijdrage wordt gebruik gemaakt van twee
modellen. Deze zijn afgeleid van recent ontwikkelde
modellen die de relaties tussen winstgevendheid,
toetreding en uittreding in zijn algemeenheid beschrijven . Deze modellen hebben als doel maten
voor economische dynamiek te construeren . Het
eerste model heeft betrekking op de vraag in hoeverre het invoeren van de nieuwe vestigingswetgeving zal gaan leiden tot meer en vlottere toetreding
en uittreding van bedrijven. Met behulp van het tweede model wordt onderzocht in hoeverre deze invoering een snellere evenwichtstendentie in de winstniveaus teweeg zal brengen.
In het eerste model is met behulp van meervoudige regressieanalyse een schatting gemaakt van de
hoogte van de vestigingsbarrieres en de lengte van
de vervangingsperiode voor 23 branches in de detailhandel (periode 1981-1988)5. Voor 14 van deze 23
branches zijn er op dit moment alleen algemene ondernemingsvaardigheden benodigd. De eisen komen
overeen met die in de nieuwe wetgeving aan onder-

Ulttreding”

1. Zie Ministerie van EZ, Ondernemen op niveau: naar een

modern vestigingsbeleid voor het MKB, 1992; en Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, Klein-

schalig ondernemen 1993, dynamiek en ondernemersklimaat, 1993, biz. 124-129.
2. De databestanden zijn afkomstig van het EIM, het

Centraal Registratie Kantoor en het CBS.
3. Zie M.A. Carree en A.R. Thurik, Profitability and number
of firms: their dynamic interaction in Dutch retailing, in: A.
Van Witteloostuijn (red.), Market evolution: competition
and cooperation across markets and over time, studies in

industrial organization, 1994, te verschijnen; M.A. Carree
en A.R. Thurik, Entry and exit in retailing: incentives, barriers, displacement and replacement, Econometrisch Instituut (EUR), Report 9359/A, 1993.
4. Zie P.A.G. van Bergeijk en R.C.G. Haffner, Op zoek naar
dynamiek, ESB, 20 januari 1993, biz. 52-56 voor een andere
maat voor dynamiek. Hun kengetal wordt bepaald door de
mate waarin prijzen reageren op bestaande over- of onderbezetting van de produktiecapaciteit. Zie ook A.R. Thurik,
Is de Nederlandse Industrie wel zo weinig dynamisch?, ESB,
28 april 1993, biz. 385-387.
5. In totaal zijn er dus 184 waarnemingspunten van branchegemiddelden.

Hiertoe wordt dezelfde indeling in 14 en 9 branches
gehanteert als bij het eerste model.

Toetreding en uittreding
Omvang
Indien specifieke vestigingsregelingen worden afgeschaft, wordt het makkelijker een onderneming op te

zetten. Het is dus waarschijnlijk dat de toetreding van
ondernemers in de markt zal groeien (ten opzichte
van een situatie van ongewijzigde wetgeving). Aan
de andere kant is het aannemelijk dat de gemiddelde
kwaliteit van de toetreders lager ligt dan voorheen bij
de hogere wettelijke toetredingsdrempels. Dit bevordert op zijn beurt weer uittreding. Zeker in de begin-

Tabel 2. Coefficienten van brancbedummies als moat voor de niet in bet model
opgenomen barrieres tot toe- en uittreding
Toetreding

Uittreding

Branches met specifieke eisen
Supermarkten
Slagerijen
Bakkerijen
Banketbakkerijen
Slijterijen
Fietshandelaren
Fotozaken
Juweliers
Drogisterijen

Gemiddeld

-0,042
-0,010
0,014
0,012
-0,034
-0,008
-0,060
-0,010

-0,095
-0,026

0,022
-0,006
-0,015
-0,001
0,005
-0,038
-0,030

-0,006
-0,073
-0,016

Branches zonder specifleke eisen
Groentewinkels
Zuivelwinkels
Viswinkels
Tabakszaken
Herenkledingzaken
Schoenenzaken

Huishoudspeciaalzaken
Meubelzaken

0,016
-0,030
0,057
-0,032
0,047
-0,034
-0,061
0,030

0,007
-0,023
0,017
-0,027
0,051

-0,009
-0,030
0,045
0,044
0,073
-0,020

Woningtextielzaken
0,083
Woninginrichtingszaken 0,058
Verfzaken
-0,036
Doe-het-zelfzaken
-0,039
Bloemisten
0,110
Dierenspeciaalzaken
0,065

-0,029
0,044
-0,003

Gemiddeld

0,010

0,017

Toelichting: de coefficienten zijn vermeld in af-

wijking van hun gemiddelde. Zo kennen supermarkten gemiddeld over de jaren een toetreding
die 0,042 (dit is 4,2 bedrijven per 100 aanwezige

bedrijven) lager ligt dan gemiddeld in de detailhandel op basis van hetgeen verwacht kon wor-

den vanuit de effecten van de verklarende variabelenuit tabel 1.

fase zal het toetredingseffect het uittredingseffect overheersen, waardoor het totaal aantal ondernemingen stijgt.
De mate van toeen uittreding wordt
be’invloed door prikkels en barrieres.
Hoge winstgevendheid, sterke groei van
de vraag en beperkte
beschikbaarheid van
alternatieven om een
inkomen te verwerven
zijn prikkels om toe te
treden en om niet uit
te treden. Daarente-

gen zijn hoge investeringen, sterke klantentrouw en hoge
vestigingseisen barrieres om toe te treden,
maar ook om uit te treden. Dit laatste vanwege het verloren gaan
van ge’investeerd
(eventueel ook immaterieel) vermogen bij
het opgeven van de
onderneming.
In label 1 staan de
geschatte effecten van
de winstgevendheid,
de groei van de vraag,
de groei van de werkloosheid, de mate van
franchising, de aanwezigheid van kleinbedrijf alsmede de investeringsvereiste (in
termen van winkelruimte) op de mate
van toetreding en uittreding . De mate van
toetreding (uittreding)
is gemeten als het aantal nieuw gestichte

(opgeheven) ondernemingen in een jaar gedeeld
door het totaal aantal ondernemingen in het jaar ervoor.
Het valt op dat winstgevendheid inderdaad toetreding aanmoedigt, terwijl het uittreding afremt. De
groei van de vraag lijkt alleen een (negatief) effect
op uittreding te hebben, terwijl groei van werkloosheid juist alleen een (positief) effect op toetreding
heeft . De effecten van de prikkels hebben wel
steeds het juiste teken.
Naast deze effecten zijn in tabel 1 ook enige
marktstructuurkenmerken van de branches opgenomen. Het blijkt dat in branches met een hoge mate
van franchising relatief meer toetreding en uittreding
plaatsvindt. In deze markten schijnt dus een snellere
vervanging op te treden. De mate van aanwezigheid
van het kleinbedrijf heeft wellicht enige terug-

houdendheid in toetreding tot gevolg. Dit kan ermee
te maken hebben dat het als startende ondernemer
vrij lastig is een ‘niche’ te vinden in een markt waar
al veel kleine ondernemingen actief zijn. Tot slot is
de investeringsvereiste een duidelijke barriere tot
toetreding terwijl het geen effect op uittreding heeft.
Naast de in tabel 1 genoemde effecten zijn in de
modellen ook branchedummies opgenomen. Deze
geven een indicatie van niet in het model gespecificeerde barrieres tot toetreding dan wel uittreding.
Behalve wettelijke barrieres behoren hiertoe ook het
benodigde marktinzicht, de produktkennis en de
vakbekwaamheid om succesvol als ondernemer te
kunnen functioneren. De ‘panelstructuur’ van ons
databestand, met 23 branches en 8 jaren, maakt het
mogelijk deze coefficienten te schatten. In tabel 2
zijn de geschatte branchedummies (als afwijking van
het gemiddelde) vermeld voor de 9 branches met
specifieke vestigingseisen en de 14 branches met
slechts algemene eisen. Het blijkt dat de branches
met specifieke wettelijke toetredingseisen gemiddeld
significant (t-waarde is 2,1) minder toetreding en significant (t-waarde is 1,8) minder uittreding kennen
dan de overige winkeltypes.
De wettelijke barrieres zijn natuurlijk slechts gedeeltelijk verantwoordelijk voor de geschetste verschillen. De schattingen geven wel aan dat de nieuwe wetgeving tot aan 4,3 (= 2,6 + 1,7) procentpunten
meer toetreding en 2,6 (= 1,6 + 1,0) procentpunten
meer uittreding tot gevolg zal kunnen hebben. Op
den duur zullen de winstniveaus zich aanpassen aan
de groei in het aantal ondernemingen, waardoor op

de lange termijn de toetreding lets minder dan 4,3
procentpunten zal kunnen stijgen en de uittreding
iets meer dan 2,6 procentpunten. Een lichte toename
van de turbulentie (toetreding plus uittreding) en van
het aantal ondernemingen (door v^rhoogde toetreding minus uittreding) in de branches waar nu nog

6. Modelvarianten (alternatieve specificaties) zijn te vinden
in Carree en Thurik, op. cit., 1993.
7. Zie DJ. Storey, The birth of new firms — does unemployment matter? A review of the evidence, Small Business Economics, nr. 3, 1991, biz. 167-178 voor een discussie over
het vermeende positieve effect van (groei van) werkloosheid op de toetreding van nieuwe bedrijven.

specifieke eisen voor gelden, kan dus
worden verwacht .

Tabel 3- Scbatting van vervangingseffecten
gingsperfode (1984-1988)

Toetredlng
14 branches

Vervangingseffect

9 branches

Snelheid
Het is te verwachten dat een verlaging
van barrieres niet alleen zal leiden tot
een grotere maar ook tot een vlottere
instroom en uitstroom van bedrijven.
Door de gemiddelde vervangingsperiode
te schatten voor de 9 branches met specifieke vestigingeisen en de overige 14
branches kan irizicht hierover verkregen
worden. Er is sprake van vervanging als
een uittreding leidt tot het toetreden van
een ander bedrijf (door de extra markt-

en de gemiddelde leugte van de vervan-

Binnen 1 jaar

Tussen 1 en 2 jaar
Tussen 2 en 3 jaar

Tussen 3 en 4 jaar
Tussen 4 en 5 jaar

0,085
0,052
0,675
0,515
-0,327

Vervangingsperiode
In jaren
2,639

(0,4)
(0,2)
(2,3)
(2,1)
(1,1)

1,085 (10,2)
-0,004 (0,0)
-0,012
(0,1)
-0,209 (2,4)
0,140 (2,0)

0,905

Uittreding

9 branches
0,317
-0,252
0,097
0,630
0,207

(2,2)
(1,4)
(0,6)

(4,1)
(1,4)

3,659

14 branches
0,714
0,077
0,129
0,018
0,061

(9,3)
(1,1)
(1,8)
(0,3)
(1,0)

1,632

T-waarden tussen haakjes.
Toelichting: het Vervangingseffect tussen 3 en 4 jaar’ is het effect van uittreding (toetreding) die

plaats heeft gevonden tussen 3 en 4 jaar geleden op toetreding (uittreding) in de huidige periode.
ruimte) of als het toetreden van een beEen extra uittreding van 0,01 (dat is 1 bedrijf per 100 aanwezige bedrijven) leidt dus tot 0,00515
drijf leidt tot een compenserende uittre(dat is 0,515 bedrijf per 100 aanwezige bedrijven) extra toetreding in de periode tussen 3 en 4
ding (door de beperktere marktruimte).
jaar later voor de 9 branches, terwijl 0,01 extra uittreding leidt tot 0,00630 extra toetreding over 3
In label 3 zijn de meervoudige regrestot 4 jaar voor deze branches.
sieresultaten aangegeven indien we deze
vervangingseffecten aan het model toevoegen (naast
De snelheid waarmee winsten tenderen naar hel
de variabelen van label 1 en de branchedummies).
evenwichlsniveau kan geschal worden met een eenHet vervangingseffect tussen twee opeenvolgende javoudig foutencorrecliemodel. De le verklaren variaren wordt gemeten door de regressiecoefficient van
bele is de verandering in winslgevendheid en de
uittreding (toetreding) in de desbetreffende periode
verklarende variabele is de hoogle van de winslals verklarende variabele voor toetreding (uittreding)
gevendheid in de vorige periode len opzichle van
in de huidige periode. De lengte van de vervangingshel lange lermijn evenwichlsniveau. Hel effecl van
periode wordt berekend door de vervangingseffecten
de ‘onevenwichligheid’ behoort negalief le zijn: over(gewogen met de tijdsafstand in jaren tot de huidige
winslen leiden lol winsldalingen en onderwinslen
periode) bij elkaar op te tellen. Bij voorbeeld, uit laleiden lot winslstijgingen.
bel 3 blijkt dat bij toelreding in de 9 branches mel
In label 4 worden over de periode 1981-1988 de
specifieke eisen een vervangingsperiode geldl van
regressieresullalen voor de 9 branches met specifieke
1 x 0,085 + 2 x 0,052 + 3 x 0,675 + 4 x 0,515 + 5 x eisen en de 14 overige branches vermeld. In beide
0,327 = 2,639 jaren. De vervangingsperiode is een
gevallen is gecorrigeerd voor marktgroei. Het blijkt
indicalie van de lijd die nodig is voordal uittreding
dat winstaanpassingen lager liggen bij de branches
(via extra marklruimle) leidl lol toelreding van een
met de striklere wellelijke bepalingen dan bij de
ander bedrijf of voordal toelreding van een bedrijf
overige branches. Blijkens de l-waarden is hel ver(via beperktere marklruimte) leidt lol een compenseschil echler niel significant Men kan daarom alleen
rende uittreding.
voorzichlig concluderen dal de markt minder goed
Uit de label blijkl dal de vervangingsperiode bij
funclioneert voor branches mel slriklere bepalinde 9 branches mel slriklere wellelijke eisen gemidgen . Concurrentie(dreiging) van nieuwe bedrijven
deld bijna twee jaar hoger ligl dan bij de overige 14
branches. De exlra wellelijke eisen leiden er dus aan
de ene kant toe, dat aanstaande ondernemers meer
8. Een veel gebruikte maat voor dynamiek is de turbulentie,
gedefinieerd als het aantal toetredende plus het aantal uitlijd nodig hebben om opengevallen marktruimte in
tredende bedrijven (eventueel gedeeld door het totaal aante vullen, en aan de andere kant dal gevestigde
tal bedrijven). Zie bij voorbeeld D.B. Audretsch en ZJ. Acs,
ondernemers langer in de markt blijven zilten onThe entrepreneurial regimes, learning and industry turbudanks toenemende concurrentie.
lence, Small Business Economics, nr. 2, 1990, biz. 119-128;

Aanpassing van winstniveaus
Naasl een grolere en vlottere instroom en uitslroom
van ondernemingen is ook de snelheid waarmee
winslen zich over de lijd aanpassen naar hel evenwichlsniveau een maal voor de dynamiek van een
bedrijfslak . Indien een markl goed funclioneert,

zullen overwinslen leiden lol verhoogde concurrenlie (al dan niet van nieuwe ondernemingen) waardoor winsten gaan dalen. Verliezen (‘onderwinsten’)
daarenlegen zullen in een goed funclionerende
markl niel lang duren. Onrendabele aclivileiten (of
gehele ondernemingen) worden rendabel gemaakt of

afgestoten.

ESB 24-11-1993

M.E. Beesley en R.T. Hamilton, Small firms’ seedbed role
and the concept of turbulence, Journal of Industrial
Economics, nr. 33, 1984, biz. 217-231.
9. Zie D.C. Mueller, The persistence of profits above the

norm, Economica, nr. 43, 1977, biz. 369-380; D.C. Mueller
(red.), The dynamics of company profits: an international
comparison, Cambridge University Press, Cambridge, 1990.
10. Een vergelijkbaar model is ook opgebouwd voor de
Nederlandse Industrie (zie A. Kleijweg, Persistence of profits

and competitiveness in Dutch manufacturing, EIM Fundamental Research, report 9302/E, februari 1993). De schattingen voor winstaanpassingen zijn -0,340 voor kleine bedrijven (10-100 werknemers) en -0,275 voor grote bedrijven
(meer dan 100 werknemers). De evenwichtstendentie verloopt langzamer bij grote dan bij kleine industriele bedrijven. Dit is begrijpelijk aangezien barrieres tot het stichten
van een klein bedrijf lager liggen dan van een groot bedrijf.

1085-

Tabel 4. De verandering van winstgevendbeid verklaard uit overwinst en groei van de vraag; meervoudige regressieresuttaten

Verklarende variabele

• Overwinst
• Groei van de vraag0

Verandering in winstgevendheid”
9 branches
14 branches

-0,300
1,266

(3,1)
(1,8)

-0,386
1,785

(4,9)
(4,6)

T-waarden tussen haakjes.
a. Groei van gemiddelde winst in de btanche gedeeld door modaal inkomen.
b. Gemiddelde winst gedeeld door modaal inkomen in net jaar voorafgaand

aan de verandering in winstgevendheid minus lange termijn evenwichtsniveau
voor de branche.

c. Reele omzetgroei van produkten verkocht in de branche (als perunage
uitgedrukt) in dezelfde periode als de verandering in winstgevendheid.

zorgt dan voor een grotere marktdynamiek. Vraageffecten blijken een grotere rol te spelen (weliswaar

niet significant) bij de 14 Vrijere’ branches dan bij de
9 ‘strictere’ branches. Ook dit kan gei’nterpreteerd
worden als een beter functioneren van branches
zonder specifieke wettelijke eisen.

Evaluatie detailhandel
Deze bijdrage heeft als onderwerp de meting van het
effect van een versoepeling van de vestigingswetgeving op de verhoging van de marktdynamiek. Op
grond van onze kwantitatieve analyse moet verwacht
worden dat het afschaffen van specifieke eisen op
het gebied van handelskennis en vakbekwaamheid
leidt tot een lichte verhoging van de marktdynamiek
in de detailhandel. Niet alleen zullen er meer onder-

nemingen komen en zal er meer en vlottere toe- en
uittreding plaats vinden (ten opzichte van een situatie van ongewijzigde wetgeving), maar ook is er
enige aanwijzing dat winstaanpassingen over de tijd
sneller zullen verlopen. Ondanks dat deze veranderingen vrij beperkt zullen zijn, ziet het er in ieder geval naar uit dat de maatregelen ter beperking van de
overheidsregulering ‘naar richting’ het gewenste
effect zullen bereiken.

voegde waarde kan leveren aan een produkt en een
onderneming. Dit zal niet in alle branches mogelijk
zijn. Naast onderzoek naar deze toegevoegde waarde
zullen ook systemen van controles en sancties
moeten worden ontwikkeld. Het opzetten en onderhouden van erkenningsregelingen zal dan ook met
de nodige kosten gepaard gaan11. Daar staat tegenover dat, los van de vestigingsproblematiek, een
goed opgezette erkenningsregeling een belangrijk
marketinginstrument kan zijn om het imago van een
branche te versterken12.
De versoepeling van de vestigingswetgeving
brengt naar verwachting lagere toetredingsdrempels
en een hogere dynamiek met zich mee. Dynamiek is
uiteraard geen doel op zich. Het zal leiden tot lagere
prijzen, tot meer (verschillende) ondernemingen en
daarmee tot meer werkgelegenheid. Er zal waarschijnlijk ook een grotere variatie ontstaan in de
geboden combinaties van prijs, kwaliteit en service,
aangezien bedrijven zowel binnen als buiten erkenningsregelingen kunnen opereren en belemmeringen
voor zinvolle parallellisatie opgeheven worden .
Hierdoor zijn het uiteindelijk de consumenten die
bepalen hoe de verschillende branches eruit zullen
gaan zien.

Tot slot
Deze bijdrage heeft zich vooral op de detailhandel
geconcentreerd. Er is echter weinig reden om aan te
nemen dat het effect van de versoepeling van de
vestigingswetgeving in bij voorbeeld de ambachten
anders zal zijn. Het Ministerie van Economische
Zaken is dus met een zinvolle verandering van de
wetgeving bezig. Over de omvang van het effect is
iets minder duidelijkheid. Werkgevers- en brancheorganisaties behoeven zich voorlopig niet onnodig
ongerust te maken. Zij kunnen zich concentreren op
het opzetten van moderne erkenningsregelingen.
Martin Carree

Pieter Fris

Vestigingswet en erkenningsregelingen

Roy Thurik

De versoepeling van de vestigingswetgeving moet op
1 januari 1996 gestalte krijgen. Vooruitlopend daarop
hebben het Openbaar Ministerie en de Economische
Controle Dienst besloten om systematische opsporingsactiviteiten in het kader van de strafrechtelijke
handhaving van de wetgeving te staken. Toekomstige wetgeving zal alleen nog civielrechtelijk van aard
zijn.
De lange termijn tot de feitelijke invoering van de
wet is bedoeld om branches in staat te stellen zelf
erkenningsregelingen uit te denken en op te zetten.
Dit is echter niet verplicht. De mogelijkheid wordt
open gelaten dat er branches zijn met zowel erkende
als niet-erkende bedrijven. Dit is bij voorbeeld nu al
het geval bij makelaars en verhuizers.
Via erkenningsregelingen kan het risico van
‘beunhazerij’ worden tegengegaan, terwijl afnemers
een beter inzicht kunnen krijgen in de te verwachten
kwaliteit van het gebodene. Een erkenningsregeling

11. Het Ministerie van Economische Zaken heeft subsidies
beschikbaar gesteld om onder bepaalde omstandigheden
een deel van de kosten te dekken. Zie Kleinschalig ondernemen, op. cit., 1993.
12. Zie W. van Rijt-Veltman en E. van Straten, Erkenningsregelingen in de detailhandel, Hoofdbedrijfschap Detailhandel, juli 1993.
13. Voorts zullen opsporings- en controlewerkzaamheden

is echter slechts levensvatbaar indien het een toege-

die in het kader van de oude wet plaatsvonden verdwijnen.

Auteurs