Ga direct naar de content

De informatiemaatschappij en de toekomst van het boek

Geplaatst als type:
Gepubliceerd om: april 23 1980

De informatiemaatschappij en de
toekomst van het boek
DRS. R. E. M. VAN DEN BRINK*

Over de toekomst van het boek kunnen momenteel sombere voorspellingen worden gehoord.
Met name de recentetechnische snufjes op het gebied van de informatievoorziening
zouden de positie van het boek in hoge mate bedreigen.
Volgens drs. R. E.M. van den Brink, voorzitter van de Stichting Moderne
Media, bestaat er geen aanleiding voor een dergelijk pessimisme.
De voordelen van de huidige vormgeving van het boek zijn aanzienlijk.
Slechts een beperkt aantal boeken zal geschikt zijn om b.v. als ,,tele-boek”
te worden uitgebracht. De auteur wijst erop dat in het verleden
verschillende malen ontwikkelingen zijn gesignaleerd die het einde van
het boek zouden betekenen (radio, tv), maar die uiteindelijk geen merkbaar
negatieve invloed op de positie van het boek hebben gehad.
of juist het lezen van boeken hebben gestimuleerd.
De ontwikkeling naar de informatiemaatschappij
De gedachte dat de post-industriële maatschappij thans is
overgegaan in een pre-informatiemaatschappij, is gemeengoed geworden. Er wordt dan ook gesteld dat een groot
deel van het BNPdirect of indirect afhankelijk is van informatie als (nieuwe) produktiefactor. Wanneer men alle ,,hardware” en ,,softwarew van informatie, dus alle baten voortkomend uit het dragen van informatie (PTT, zenders,
computers, satellieten, reproduktie in enigerlei vorm) en de
informatie zelf via zendgemachtigden, uitgeverijen, de boekhandel, research, bibliotheek, bank- en verzekeringswezen,
administratieve verwerking, tot en met het antwoord van de
verkoopster in de winkel bijeentelt, komt men wel boven de
20% van het BNP. Dat aandeel is veel geringer indien wij ons
beperken tot de (inhoudelijke) vervaardiging en distributie
van gestructureerde, verveelvoudigde en openbaar toegankelijke informatie voor een (semi)massaal publiek. Wat deze
informatie betreft gaat het in de industriële landen inclusief
de toelevering ongeveer om de volgende aandelen I ) in het
BNP (1978) 2):
Boeken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 0.55%
Tijdschriften (incl. advertenties) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ..0.40′;;
Dagbladen (incl. advertenties) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ..0,65’/i
Tv en radio (incl. reclame) a) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .0,25(7(
Geluidsdragers. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ..0.25%
Beelddragers (incl. bioscopen) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . ..O. IOC3
Bibliotheekwezen (openbaar en wetenschappelijk) . . . . . . . . .0.20%
Totaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2.4%
a) Jaarkosten van de voor de consument noodzakelijke audio- en

video-apparatuur, kabel-tv enz. kunnen oplopen tot 1%.

Het boek, de oudste drager van informatie voor een brede
groep van consumenten, heeft zich naast de na 1870 ontstane
vele andere vormen van informatieverspreiding, goed kunnen
handhaven. In de ontwikkelde landen worden thans door een
kwart van de gezinnen redelijk veel boeken gekocht 3); een
kwart koopt regelmatig een boek, terwijl de rest geen boeken
koopt. Vele factoren en omstandigheden hebben hierbij een
rol gespeeld. Blijkens het tot nu toe gedane onderzoek is er een
sterke positieve relatie tussen het kopen van (publieks)ESB 16-4-1980

boeken en de educatiegraad, alsmede het vrij besteedbaar inkomen per hoofd van de bevolking.
Zonder twijfel geldt deze correlatie ook voor de aanschaf
van dagbladen en publiekstijdschriften, doch deze is van een
andere aard. Het dagblad en het vrouwen-, familie- of jeugdtijdschrift hebben een informatieaanbod dat (over het algemeen) een beperkt aantal titels omvat. De penetratiegraad per
gezin van bladeninformatie is hoog, maar het aantal bladtitels per gezin is beperkt. Bij de ,,consumptie” van boeken
is de situatie andersom. In dit geval is ook de bekende
20180-regel voor een goed deel toepasbaar.

Overzicht
In het kader van deze verhandeling is het interessant kort na
te gaan hoe in Nederland na 1870 de vraag naar informatie is
gegroeid en hoe naast boeken andere soorten van openbare
gestructureerde informatie zijn ontstaan. In dit overzicht zal
tevens kort worden aangegeven dat telkens door mensen
(doemdenkers?) ontwikkelingen worden gesignaleerd, die
zouden impliceren dat het boek zijn langste tijd zou hebben
gehad. Dit is aardig, omdat ook nu, naar aanleiding van de
recente technische ontwikkelingen in de sfeer van de informatievoorziening, dergelijke v ~ o & ~ e l l i n ~ e n
de ronde doen. In
dit artikel zal blijken dat ik deze (sombere) opvatting niet deel.

* De schrijver is oud-voorzitter van

de Raad van Bestuur van N
V
Uitgeversmaatschappij Elsevier te Amsterdam. Het artikel schreef hij
als voorzitter van de Stichting Moderne Media te Amsterdam. het
samenwerkingsorgaan betreffende de elektronische media van alle
Nederlandse uitgeversorganisaties: De Nederlandse Dagbladpers
(NDP), de Nederlandse Organisatie van Tijdschrift-Uitgevers
(NOTU). de Koninklijke Nederlandse Uitgeversbond (KNUB) (betreffende uitgevers van alle soorten van boeken en wetenschappelijke
tijdschriften). alle gevestigd te Amsterdam.
I ) In landen waar tv en radio vooral op commerciële basis worden geexploiteerd, is het percentage hoger. In de VS is dat ongeveer 0.5%.
Het aandeel van de geschriften in het BNP is in de V S lager dan
in Nederland.
2) Eén procent van het BNP kwam in 1978 in Nederland overeen met
ca. f. 2.8 rnrd.
3) De ,,grotewboekenconsument kan hierbij steunen op een ongewoon pluriform aanbod van vele tienduizenden boektitels.

De Maatschappij tot Nut van het Algemeen doet veel voor
onderwijsvernieuwing en nieuwe vormen van voortgezet
onderwijs zijn ontstaan: Mulo (1857), HBS (1863) en Gymnasium, incl. het programma moderne talen en natuurwetenschappen (1876). De drie instellingen van wetenschappelijk
onderwijs worden uitgebreid met de Gemeenteliike Universiteit van Amsterdam (7877) en de Vrije universiteit (1880). In
1885 is nog 10,5%vanderecrutenanalfabeet (in hetzelfde jaar
is 73.5% van de Russische recruten analfabeet en in 1891 16%
van de Belgische recruten). De leescultuur beperkt zich
-buiten het B i j b e l l e z e n tot enkele procenten van de
huishoudingen (de welvarende burgers in de geurbaniseerde
gebieden). Romanliteratuur wordt nog niet geschikt geacht
voor dienstbaren en jeugdigen. Na de afschaffing van .,de
belasting op kennis” (dagbladzegel) in 1869 volgt de opkomst
van de landelijke, veelal opiniërende, dagbladen. Verder
ontstaan de beroepstijdschriften (fraternele bladen) en de
nationale wetenschappelijke tijdschriften. Ten slotte is er
sprake van een uitbreiding van de universiteitsbibliotheken.

In 1900 wordt het verplichte basisonderwijs ingevoerd; de
participatiegraad van de leerlingen (van 6-13 jaar) bedraagt
82,496 (in 1919 87%). Instellingen van wetenschappelijk
onderwijs worden uitgebreid met de Rijks Technische Hogeschool te Delft ( 1905), de Nederlandse Handelshogeschool te
Rotterdam ( 19 13) en de Landbouwhogeschool te Wageningen (1917). Familiebladen en regionale nieuwsbladen zijn in
opkomst. De ,,?wijgende” film werkt zich in de periode
1900- 19 10 op tot volksvermaak.

Het openbare en bijzondere basisonderwijs worden in 1920
financieel gelijkgesteld. De emancipatiedrang, ook op het
gebied van het wetenschappelijk onderwijs. zet zich voort. De
Katholieke Universiteit te Nijmegen (1923) en de Katholieke
Handelshogeschool te Tilburg (1927) worden opgericht. Tevens zien we een begin van het beurzensysteem vanaf het
voortgezet onderwijs. In deze periode is er de opkomst van
boekenseries in abonnementsvorm en van de algemene en
bijzondere openbare bibliotheek. Het aantal uitleningen
bedraagt in 1938 3.5 per Nederlandse huishouding. De omzet
van boeken tegen winkelprijzen (in guldens van 1979) bedraagt ca. f. 145 mln. 4). Landelijke dagbladen gaan verschijnen met ochtend- en avondedities. Er is een grote verscheidenheid in titels van boeken en bladen, die mede wordt bepaald
door de voor Nederland zo kenmerkende verzuiling. De
grammofoonplatenindustrie neemt een aanvang; de filmindustrie groeit sterk na 1921 (geluidsfilm). Bovendien is er een
sterke opkomst van de radio. De profetie dat de radio het
boek zal bedreigen komt niet uit. De vraag naar boeken wordt
door de verbrede wereldoriëntering eerder uitgebreid en de
veelvuldige boekbesprekingen per radio bevorderen de consumptie van boeken.

In deze periode is er sprake van een explosieve groei vanalle
vormen van onderwijs. Het basisonderwijs ondergaat de
invloed van de naoorlogse geboortegolf. Instellingen van
wetenschappelijk onderwijs worden uitgebreid met de Technische Hogeschool te Eindhoven (1956). Vanaf 1948 is er een
financiële gelijkstelling van de rijksuniversiteiten met de
bijzondere instellingen van wetenschappelijk onderwijs. Een
uitbouw van het beurzensysteem voor studenten van het tertiaire onderwijs vindt plaats. Het schriftelijk onderwijs voor
volwassenen komt tot grote bloei. De urbanisatiegraad loopt
op naar 70% (incl. het verstedelijkte platteland). De leescultuur breidt zich uit tot alle lagen van de bevolking, mede op

grond van het vertrouwd raken met boeken tijdens d e oorlog.
Verder zien we een sterke ontwikkeling van het (goedkope)
pocketboek. Het aantal uitleningen per Nederlandse huishouding blijft vooralsnogconstant en bedraagt 3,5 in 1950(evenals
in 1938). In 1950is -gecorrigeerd voor inflatie -de index van
de omzet van boeken 210 (1938 = 100). Tijdschriften voor
vrouwen. familie en jeugd ontstaan in zeer grote oplagen en
ook het aantal opiniebladen en vakbladen neemt sterk toe.
Landelijke ochtend bladen groeien sterk; vele landelijke
avondbladen verdwijnen evenwel en het aantal regionale
dagbladen wordt minder (tot veelal één per regio). Verder
ontstaan internationale wetenschappelijke tijdschriften op
een breed vakgebied. De grammofoonplatenindustrie groeit
sterk na de introductie van de langspeelplaat in 1953. Het
aantal kijkers naar (zwart-wit-)tv neemt na de introductie in
1952 stormachtig toe. de profetie dat de (zwart-wit-)tv het
lezen van boeken zal bedreigen komt niet uit. De vraag naar
boeken wordt zelfs door het verbrede wereldbeeld sterk
gestimuleerd en de ruime tijdsbesteding aan tv-kijken gaat
niet ten koste van de leestijd.

De naoorlogse geboortegolf bereikt nu het voortgezet
onderwijs. Het tertiaire onderwijs groeit eveneens zeer sterk.
De zogenaamde Mammoetwet (1963) verhoogt de keuzemogelijkheden bij het voortgezet algemeen onderwijs. In 1964
wordt in Enschede een nieuwe Technische Hogeschool geopend. De vrije tijd neemt sterk toe. mede door de vrije
zaterdag. Het voordien religieus engagement verliest aan
betekenis bij de informatie. Het maatschappelijkengagement
komt hiervoor in de plaats. Er is een doorbraak van het
pocketboek en bovendien wint de distributie via boekenclubs
aan belang (met keuze uit 400 boektitels per club). Het aantal
uitleningen per Nederlandse huishouding door openbare bibliotheken neemt toe tot 7 in 1960. In dat jaar is g e c o r r i geerd voor inflatie – de index van de omzet van boeken 400
(1938= 100). Er is een sterke opkomst van gespecialiseerde
wetenschappelijke tijdschriften; de eerste elektronische databanken komen tot stand. Deprofetiedat ,.teaching machines”
met hun geprogrammeerde leerstof het schoolboek zouden
vervangen is niet uitgekomen. Deze machines zijn al weer
verdwenen wegens de dure en te omslachtige leermethoden
alsmede de onvoldoende ingewerkte docenten.

In deze periode zien we een sterke verdere groei van
secundair en tertiair onderwijs en een verbreding van het
onderwijs voor volwassenen (Open School. Teleac). De
instellingen van wetenschappelij k onderwijs worden (verder)
uitgebreid met twee universiteiten (Rotterdam en Maastricht). Er vindt een sterke groei in het aantal boektitels per
jaar plaats; bovendien is sprake van een sterke toeneming in
de afzet van naslagwerken en non-fictionboeken en een
relatieve teruggang van fictionboeken. In 1970 lenen de
openbare bibliotheken 14 boeken uit per Nederlandse huishouding en in 1978 ruim 31 (bijna het negenvoud van 1938).
De omzetindex (1 938 = 100) van boeken is 730 in 1970 en
ruim 1000 in 1979 (gecorrigeerd voor inflatie). Het aantal
gespecialiseerde (gerichte) publiekstijdschriften neemt sterk
toe. De positie van de dagbladen wordt versterkt door een
drastische verhoging van de abonnementsgelden. ,,NetworksW
ontstaan voor het internationale data(banken)verkeer. De
leescultuur is in neergaande lijn door opkomende andere
behoeften; dit leidt tot een verlaging van de leestijd binnen de
vrijetijdsbesteding. Er is een doorbraak van de kabel-tv en de
(kleuren-)tv. Experimenten met regionale omroepen en view-

4) Dit is een schatting omdat officiële omzetcijfers voor die tijd
ontbreken.

i
,

I

data worden georganiseerd. De nabije toepassing van satellieten voor commerciële tv-uitzendingen in onze taal wordt
gezien als een bedreiging van het nationale, overwegend nietcommerciële, radio- en tv-bestel. De beeldplaat (bewegend
beeld) staat aan het begin van een economische marktpenetratie.
De hierboven gegeven korte schets van ruim 100 jaar
informatieverspreiding laat zien dat in Nederland de consumptie van boeken vooral na 1945 een hoge vlucht heeft
genomen. Twee ontwikkelingen liggen hieraan ten grondslag:
de (explosieve) ontwikkeling van de educatiegraad van de bevolking en de positieve ontwikkeling van het vrij besteedbaar
inkomen per hoofd van de bevolking. De ontwikkeling van de
educatiegraad en het inkomen kunnen aan de hand van de
volgende tabel worden aangegeven.
Tabel. Ontwikkeling participariegraad, in procenten, voor
i~erschillendeonderwijsvormen, en de ont~t~ikkeling het
van
inkomen per hoqfd. 1900-1978 in guldens van 1975
Studenten

Inkomen per
hoold

VWO h a h o m.+\<> h e r o e p ~ o n d e r u i j r
12-18-jarigen
12- 18-laripn

onbekend
onbekend

onbekend
onbekend

29.6

23.5
30.4
39

37.4
47.1

.

De vele in het overzicht genoemde nieuwe vormen van
informatie-overdracht hebben in beginsel niet substituerend
tegenover het boek gewerkt. De totale beschikbare informatie is door toegenomen educatie, koopkracht en onderzoek
exponentieel gestegen. Er is een wereld van aan actualiteit
gebonden informatie opengegaan, die bladen, radio en tv tot
ontwikkeling heeft gebracht. Ook is er sprake van een verinformatie (geschrift) naar
breding van con~municatiei3e
distriburieve (radio en tv) en consultatieve (b.v. networks).
Het ,,afstandelijkewboek heeft zich goed kunnen handhaven
en profiteert van de onderstroom van deze periode, die loopt
van specifieke informatie naar algemene en weer terug.

De positie van het boek
In de voorgaande paragraaf werden -beknopt – de
belangrijkste ontwikkelingen weergegeven die van invloed
zijn geweest op, of waarvan gedacht werd dat ze van invloed
zouden zijn voor, de positie van het boek in de informatiemaatschappij. Nu zal worden getracht een inzicht te krijgen
in de mate waarin de hiervóór geschetste ontwikkeling van
invloed is geweest op de positie van het boek.
Zoals gezegd blijkt dat na de tweede wereldoorlog de
boekenomzet flink is gestegen. Was de gemiddelde groeivoet
vóór de tweede wereldoorlog ten hoogste 1% per jaar. deze
nam na de oorlog toe tot 5 a 8%. Zonder twijfel is de
.,grondwarmte” van het kopen en lezen van boeken tijdens de
oorlog van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van
een sterke leescultuur tot aan de jaren zeventig toe. Het boek
was tijdens de oorlog niet ,,op de bon” en inhoudelijk vrijwel
altijd ,,goedw. De in 1940 van boekenvoorraden krakende
zolders van de uitgeverijen (als gevolg van de jaren dertig) zijn
voor de uitgevers van economisch belang. maar voor het
Nederlandse volk vooral van grote culturele waarde geweest.
De toename van de leescultuur na de tweede wereldoorlog
kan verder aan de volgende factoren worden toegeschreven
(waarvan de eerste vier de belangrijkste zijn):
stijging van het aantal inwoners (lezers en kopers van
boeken);
reële-inkomensstijging van de huishoudens;
het aantal deelnemers aan alle vormen van onderwijs en
onderzoek neemt toe;
toegenomen educatiegraad van de bevolking (positieve
relatie tussen educatie en het lezen of kopen van boeken);

ESB 16-4- 1980

urbanisatie (mensen in de steden lezen meer boeken dan
mensen op het platteland);
verbreding van het wereldbeeld door tv, radio en sociaal
toerisme;
toenemende maatschappelijke bewustwording;
de toename van de uitleningen door openbare algemene
bibliotheken; door de tussenschakeling van de openbare
bibliotheek (en de wetenschappelijke bibliotheek) wordt
het lezen van boeken voor een deel in hoge mate gesubsidieerd; vanzelfsprekend heeft het lenen van boeken een
substitutie-effect t.a.v. het kopen, hoewel het uitlenen ook
een positieve invloed kan hebben op het kopen van boeken;
de toegenomen omvang van de vrije tijd van de consument
van boeken, waardoor meer tijd kan worden besteed aan
het lezen van boeken.
De uitgevers van boeken en de detailhandel in boeken
hebben vanwege deze ontwikkelingen en factoren een ware
metamorfose doorgemaakt. Grote uitgeversconcerns, boekhandel-chains en boekenclubs ontstonden. Wezenlijk bij deze
ontwikkeling is dat de traditionele lage omloopsnelheid van
het vermogen bij de produktie van boeken wordt verbeterd
door een versnelde distributie, mogelijk door de ,,logistiekn
van de boekhandelchains en de boekenclubs. Daarnaast dient
het concernverband tussen de exploitatie van boeken en
bladen te worden vermeld. De verbeterde logistiek van de
dienstverlening aan de boekenconsument kan als volgt worden samengevat:

aanbodpakket

opkomst
pocketboek

opkomst
paperback:
internationale
coëdities:
het boek voor
de ..eenvoudige”
lezer
(pulpboek):

rijk geïllustreerde boeken
(in kleur)
tekstvervangende
illustraties
grote
diversiteit
naslagwerken
mailing

verkooppunten
colportage \an
naslaguerken

chains van
boekhandels
\erkoop in
supermarkts

Bovendien moet nog worden vermeld dat de ontwikkeling
(in de breedte en in de diepte) van het titelbestand van boeken
na de tweede wereldoorlog vooral is bevorderd door het
ontstaan van grote uitgeversconcerns, die de mogelijkheid
bezaten de (wegens vooruitbetaling van het abonnementsgeld) hoge omloopsnelheid van het in hun bladenge’investeerde vermogen te combineren met de lage omloopsnelheid
(minder dan 2) met betrekking tot boeken. De (emotionele)
stelling dat het ontstaan van grote uitgeversconcerns tot
verschraling van het titelbestand zou leiden heeft zelfs geen
begin van bewijs. De decentralisatie van de besluitvorming
betreffende publikaties heeft de boekenuitgeverijen binnen
een uitgeversconcern de voordelen van de ,,cottage-industry”
doen behouden, terwijl bovendien kon worden geprofiteerd
van de voordelen van de (wel) centrale marketing en distributie. Wat de toekomst van het boek betreft is het derhalve van
belang ook de organisatie van het informatie-aanbod in het
oog te houden.
Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog ingaan op de positie
van het boek ten opzichte van de bladen. Wat het boek betreft
wordt de volledige kostprijs doorberekend aan de consument.
De prijs van dagbladen en niet-wetenschappelijke tijdschriften wordt echter in hoge mate bepaald door de hoogte van de
inkomsten uit advertenties. De dagelijkse, wekelijkse of
maandelijkse periodiciteit van bladen leidt overwegend tot
een sterke binding aan de actualiteit, hetgeen tevens de basis is

voor het merendeel van de reclameboodschappen 5). Hier kan
van een versluierende kostprijsberekening worden gesproken.
Mede op grond vandeze versluierende kostprijsberekening, is
de vraag naar deze bladen betrekkelijk inelastisch, hoewel
moet worden aangetekend dat in geval van een duidelijk
prijsverschil een substitutie van het ene blad naar een (soortgelijk) ander blad zich zeker kan voordoen.
Er zijn geen aanwijzingen dat het lezen van bladen in het
algemeen een substituerende invloed heeft op het lezen van
boeken 6). De coëxistentie van bladen en boeken is vooral
gebaseerd op het verschil in inhoud en vorm. Door de relatief
lange tijd van voorbereiding van het boek is de inhoud niet
sterk actualiteitsgebonden; door de vorm is het boek ook een
bewaarprodukt. Dit laatste leidt tot een grote pluriformiteit in
titels. De gemiddelde oplage van het publieksboek is dan ook
veel lager dan die van het publieksblad.
Het boek is dus relatief duur, maar de consument lijkt
bereid de gevolgen van de verscheidenheid in (50 a 60.000)
boektitels te betalen. Ondanks de hogere omzetgroei van tijdschriften en dagbladen na 1938 ten opzichte van boeken, is de
consumentenbijdrage in de omzet zowel bij de tijdschriften als
de dagbladen geringer geweest dan bij de boeken.

De toekomst van het boek
Het is altijd een ondankbaar werk te voorspellen, vooral als
het (zoals Wim Kan nog onlangs zei) de toekomst betreft. Het
voornaamste gevaar is immers dat de voorspeller veelal moet
kiezen tussen (science) fiction en utopie. De toekomstige
technologische, demografische, sociale en politieke factoren
kunnen veelal maar moeilijk worden geschat 7). Prognoses
over lange tijd hebben dan ook maar een betrekkelijke betekenis.
Van belang is daarom niet het formuleren van een profetie,
maar het nagaan van de mogelijke ontwikkeling van de
relevante factoren. De verdere ontwikkeling van de thans traditionele informatiedragers en van die welke o p grond van
elektronische overbrenging hieraan kunnen worden toegevoegd, wordt niet alleen door de functionaliteit van het
medium bepaald, maar ook door situationele omstandigheden, als de samenhang in de economische organisatie van
produktie en distributie van informatie, de toegankelijkheid
van het medium voor het aanbod van informatie, de handhaving van het auteursrecht enz. Uitgaande van de ontwikkelingen in het (recente) verleden is de toekomst van het boek in
sterke mate afhankelijk van de relatie tussen het (inhoudelijke) produkt, de markt en de uitgeverij.
Het produkt

De toekomst van het boek in de informatiemaatschappij
kan niet geïsoleerd worden beschouwd. Het is niet de technologische vorm van het boek die wezenlijk is voor zijn voortbestaan, maar de functionaliteit van de inhoud voor de
consument van informatie. Gestructureerde en verveelvoudigde informatie kan de consument bereiken via het stilstaande beeld (letter en illustratie), het geluid, en het bewegende
beeld, inclusief alle mengvormen van deze mogelijkheden.
Binnen de informatie via het stilstaande beeld behoudt het
boek zijn eigen functionele plaats in de toekomst.
Volgens het woordenboek is een boek een samengebonden
of genaaid aantal bedrukte of beschreven bladen op papier of
perkament enz. Wil het boek voldoende ,,toekomstvast”
worden gedefinieerd, dan is dus niet de drager van de informatie bepalend, maar de functionaliteit vande inhoud. Het boek
is door zijn -als bewaarprodukt
niet aan de actualiteit
gebonden karakter afstandelijk, uitleggend, instruerend, interpreterend (non-fiction) of sfeer en verbeelding overbrengend (fiction).
De drager van de informatie in boekvorm was eeuwenlang
papyrus of perkament; later was dit het papier. Nu staat de
uitbreiding van de drager van dezelfde informatie langs

elektronische weg open. Naast het folioboek met zijn bedrukte blad (lat: folium) zal dan het teleboek kunnen ontstaan.
Deze verovering van de nieuwe wereld der elektronische
overdracht heeft voor het boek als teleboek echter maar
beperkte mogelijkheden. Hoewel men (gedeelten van) de
inhoud van boeken kan overbrengen via viewdata. microfiche, fotokopie en document delivery van databanken, vormt
de vastlegging van de inhoud o p een ,,computer generated”
beeld- of dataplaat naar mijn mening de beste innovatie van
het boek. Deze wijze van inhoudelijke vastlegging en reproduktie dient te zijn gebaseerd op een geavanceerde wijze van
opzoeken van trefwoorden, verwijzingen, samenhangende verbanden enz. via een daartoe geprogrammeerde chip of minicomputer. Een dergelijke vorm van informatie heeft immers
alleen zin indien het teleboek per ,,boekensoortween wezenlijke verbetering van de toegang tot de stof mogelijk en zinvol
maakt, terwijl daarnaast de kosten inclusief de extra apparatuur aanvaardbaar zijn tegenover het met het blote oog leesbare folioprodukt. Uitgaande van de ervaring dat de prijs van
elektronische overbrenging niet wordt verhoogd, ondanks
voortdurende geldontwaarding, zal binnen bijvoorbeeld tien
jaar het teleboek werkelijkheid kunnen worden naast het
soortgelijke folioboek 8). Deze mogelijke economische penetratie kan worden vertraagd door een verdere stagnatie in de
groei van het vrij besteedbare inkomen van de consument.
Het boek is een bewaarprodukt van informatie dat in zijn
verscheidenheid van vormen een belangrijke plaats in de cultuuroverdracht zal blijven behouden, mits de afwezigheid van
directe actualiteit volledig functioneel is verwerkt. Het leven
in zijn steeds complexere vormen vraagt steeds meer om
doorzicht, inzicht en het vermogen tot schoonheidservaring.
Als het lezen van boeken in toenemende mate hierin kan
voorzien – ook door opvoering van de inhoudelijke kwaliteit – zal het boek binnen het multimediale karakter van de
informatiemaatschappij een goede plaats weten te behouden.
Bepalend voor de economische penetratie van het teleboek
is de hanteerbaarheid van de informatie. Het folioprodukt in
boekvorm is gemakkelijk vervoerbaar, als bewaarprodukt te
allen tijde raadpleegbaar, in eigen tempo en zonder apparatuur leesbaar, eenvoudig terug te lezen en geschikt voor snelle
raadpleging van hoofdzaken 9). Wij moeten aannemen dat
u

5) De bijdrage van inkomsten uit reclame loopt uiteen van 70% van
de omzet naar 30% van de omzet, waarbij een afdalende reeks wordt
gevormd door de vaktijdschriften, de dagbladen, de opinieweekbladen, de publiekstijdschriften en de omroepprogrammabladen.
6) Mogelijk gaat dit wel gelden voor het toenemend aantal gerichte
(gespecialiseerde) kleinere publiekstijdschriften.
7) Er is bovendien weinig literatuur over de wijze waarop de vraag
naar boeken zich in structureel opzicht zal ontwikkelen. Velen
hebben geschreven over de kwantitatieve gegevens en de logistiek die
boek en boekhandel aangaan. De grootste bibliotheek inzake het
boek is na de verwoesting van Leipzigtijdens de tweede wereldoorlog
gevestigd in Amsterdam en staat nu onder beheer van de Universiteitsbibliotheek (omvattende 70.000 boeken en enige honderdduizenden catalogi van veilingen van oude boeken in de laatste 500 jaar).
Zelfs deze bron helpt niet voldoende. Een aantal boeken behandelt de
toekomst van het boek. Deze zijn zeker lezenswaardig, maar door
produktgerichtheid en tijdsbepaaldheid helpen zij ons niet voldoende
voor het doel van dit artikel. Voor belangstellenden verwijs ik naar
enige titels: L. Asheim (ed.), Thefurure of rhe hook. Implications of
the newer developments in communication, Chicago, 1955: K. Bucher, Der Deutsche Buchhandelund die Wissenschaft, Leipzig, 1904;
J.P. Dessauer, Book publishing. What it is, whai it does, New York,
1974; P.S. Jennison en R.N. Sheridan (eds.), The furure of general
adulr hooks and reading in America. Chicago, 1970; B. N. LangdonDavies. Thepracticeof bookselling, Londen, 1951; G . W. Ovink, Von
Gurenbergbibel bis Readers’ Digesr, Amsterdam, 1958; H . Siebeck,
Har der u~issenschaftlichePrivatverlag noch Daseinsberechtigung?,
Tubingen. 1951; R.H. Smith (ed.). The American reading public;
what it reads. whj. it reads, New York, 1963; S.H. Steinberg, Five
hundred jears ofprinting. Harmondsworth, 1955.
8) Reeds nu is het denkbaar dat op één dataplaat de gehele inhoud
verschenen tussen 1870 en
van de Grore Winkler Prins Ene~clopedie
1983 in 143 delen zal zijn opgeslagen.
9) Nadere uitwerking hiervan is vervat in drs. R.E.M. vanden Brink.
Book murarion in the new u.orld ofmedia. Reports t o the 20th TPA
congres, Kyoto, 1976, blz. D-11- I.

maar een beperkt deel van de inhoud van boeken (functioneel) geschikt zal zijn voor een teleboek. Het zijn vooral de
boeken waarbij feitelijke of moeilijk in verband te brengen
informatie (kruisverwijzing) voorop staat: encyclopedieën,
handboeken, sommige educatieve, instructieve, wetenschappelijke of vakboeken die functioneel ,,computensed” kunnen
worden. Ervan uitgaande dat de algemene publieksboeken
globaal 60% van de omzet in boekeninformatie uitmaken,
encyclopedieën 10%, educatieve boeken 20%, wetenschappelij ke en vakboeken 10%. kan men aannemen dat niet meer dan
15% van de overbrenging der ,,afstandelijkev informatie en
dus der boekeninformatie, geschikt is te worden uitgebreid tot
teleboek.
De markt
De toekomst van de boekenmarkt zal dus sterk foliogericht blijven. De consumptie van boeken beweegt zich nog
steeds in een stijgende lijn. In het onlangs verschenen rapport
Struktuuronderzoek Boeken worden scenario’s aangedragen
voor de periode 1980-1990. Een gemiddelde reële groei van
3,5% per jaar wordt verwacht 10). De vraag blijft welke
factoren en omstandigheden van invloed zijn op de toekomstige ontwikkeling.
Wat de vraag naar boeken betreft mag worden aangenomen dat de vertraagde groei van de bevolking, besteedbaar inkomen, educatie en urbanisatie remmend zal kunnen werken
op de groei van de boekenomzet. Tevens kan de sterke
verandering van de (vrije) tijdsbesteding aan de verschillende
informatiemedia sinds 1967 van invloed zijn op de boekenconsumptie. Een indicatie in die richting geven enige onderzoekingen inzake het gemiddelde aantal uren per week besteed aan lezen door Nederlandse personen:

1967
vanaf isjaar

~

l

1975
vanaf 12jaar

Boeken
Tijdschriften
Dagbladen
Leren totaal

TV
Radio
Bron: voor 1967: Stichting Speurwerk betreffende het Boek, Lezen
van boeken; feilen en achrergronden, Amsterdam, 1968; voor 1975:
W. P. Knulst. Een week tijd, SPC, Den Haag. 1977.

De vermindering van de leestijd voor boeken behoeft op
zichzelf nog niet te leiden tot een verlaging van de boekenconsumptie. Uitbreiding van de aaneengesloten vrije tijd kan
kwantitatief ten koste gaan van niet-sociale bezigheden als het
,,lezen van een boekje in een hoekje”. Kwalitatief kan de
geringere leestijd ook wijzen op het toenemende tijdsintensiverende karakter van het lezen (naslagwerken enz.) boven het
tijdspasserende karakter van weleer.
Dit neemt niet weg dat de verhoogde welvaart vele nieuwe
koopkrachtige behoeften heeft doen ontstaan. In de jaren
zeventig is er sprake van een clustervorming van samenhangende behoeften. Bij deze clusters kan de leescultuur aansluiten. De consument met zijn toenemend ambivalente behoeften staat dan ook steeds meer centraal, en niet de lezer I I). In
de jaren zestig is reeds een kentering gekomen in de voor de
leescultuur zo belangrijke aanzuigende werking van een
homogene (bourgeois) cultuur 12). Zonder twijfel heeft dit
b.v. de vraag naar de romanliteratuur ongunstig be’invloed,
maar de toenemende gerichtheid op het ,,feitelijk weten” heeft
weer de vraag naar het nonfictionboek doen toenemen.
Het is bekend dat de koper van boeken behoort tot de
actieve en veelal selectieve lezers. Van de bezoekers van de
boekhandel komt 87% doelgericht de boekhandel binnen. Het
is nu nog te vroeg te beoordelen of het genus actieve en
selectieve lezer en kijker op den duur stand weet te houden
ESB 16-4-1980

tegenover passievere informatiemedia, resp. de clustervorming van behoeften, waarbij het lezen niet meer primair staat.
In dit verband is het van belangdat de functionaliteit vandeinhoud van het boek in zijn ruime segmentering wordt opgevoerd.
Naast de toegankelijkheid van nieuwe informatiedragers voor de inhoud van het boek dienen als verdere
voorwaarden voor een boekenbeleid te worden genoemd: het
voorkomen van kostprijsvervaging en van het uithollen van
het auteursrecht de handhaving van de verticale prijsbinding
en het opvoeren van de snelheid van toelevering van de (vele
tienduizenden) boektitels.
De relatieve kostprijsverlaging via de inkomsten uit reclameboodschappen, die tot kostprijsvervaging leidt zoals bij de
bladen. doet zich bii boeken niet voor. Er kan wel van een
kostprijsvervaging worden gesproken als de hoge arbeidskosten voor het ~roduceren boeken(biina) niet in de prijsstelvan
ling worden;erdisconteerd. eerb boek én voor wetenschappelijk of hoger onderwijs kunnen bij het anderszins alloceren
door de onderwijsinstelling van arbeidskosten verband houdend met vormgeving of distributie lager worden geprijsd.
Het resultaat zal op den duur zijn dat de breedte en diepte van
de leerstof hieronder zullen lijden. De fondsen voor formatieplaatsen voor het ontwikkelen van leerstof zijn steeds meer
beperkt.
De uitholling van het auteursrecht is in de laatste decennia
sterk in de hand gewerkt door reproduktie van het folioprodukt via fotokopieën, zogenaamd voor eigen gebruik. Ondanks de aanpassing van het auteursrecht door het reprorecht
tegen betaling blijft de oncontroleerbaarheid van de omvang
van deze reproduktie de voornaamste reden waarom van een
invorderbare, redelijke betalingsverplichting nog geen sprake
is. Ook bij de mogelijkheid in de toekomst dat het teleboek
illegaal wordt gekopieerd (zoals thans reeds nieuwe films via
audio-visuele cassettes) dient tijdig te worden stilgestaan. Een
aanpassing van de Auteurswet is te dien aanzien van groot
belang. ook voor de toekomst van het boek.
~ e – h a n d h a v i n g van de verricale prijsbinding dient te
worden genoemd als een wezenliike voorwaarde voor het
voortbestaan van breedte endiepging van het boek. Het boek
is geen dooreen leverbaar produkt, waarbij rationalisatie van
het titelaanbod in het belang zou zijn van de consument. De
effectiviteit van het boek schuilt vooral ook in de grote
verscheidenheid van titels en derhalve in de diepgang van de
overdracht van gevoel en kennis in de vorm van dit bewaarprodukt. De rationalisatie van de handel in boeken wordt
vooral gediend door de opvoering van de efficiency in de
produktie en distributie van de vele boektitels. Toenemende
inschakeling van de elektronica bij vormgeving, calculatie,
administratie en bestelling van boeken is van betekenis voor
het terugdringen van de relatief hoge arbeidskosten van het
pluriforme boek. Hierbij is het van belang dat de vervaardiging van boeken evolueert naar een procesindustrie. Alleen op
deze wijze zal het mogelijk zijn arbeidsplaatsen organisch te
doen aanpassen aan de toepassing van geavanceerde technologieën.
De snelle distributie van de vele tienduizenden boektitels is
het sluitstuk op de functionaliteit en hiermede de mogelijkheid van een breed aanbod. De redelijkheid en de geloofwaardigheid van de verticale prijsbinding staan en vallen zelfs
hiermede. Wat de Nederlandse distributie betreft wordt niet
alleen gesteund op de ruime voorraadhouding door de gespecialiseerde boekhandel, maar ook op de beschikbaarheidsservice van het landelijk centrale depot (van 35.000 boektitels) en
de centrale (dagelijkse) bezorgdienst naar de boekhandels.

10) Strukruuronderzoek Boeken, Amsterdam. 1980, deel 16, blz. 39.
I I) Drs. R.E.M. van den Brink. De uitgever heeft vele gezichten,
Amsterdam, 1979, blz. 109.
12) Literature in the marketplace, Amsterdam. 1977, blz. 178 e.v.

De uitgeverij
In de ,,brave new world” vanelektronische overdracht isde
uitgeverij niet gebonden aan het papier als drager van informatie. Wel is haar werkterrein beperkt tot het stilstaande
beeld 13). Daarnaast is een wezenlijk kenmerk voor de uitgeverij als bedrijfstak de spreiding van de informatie over vele
afzonderlijk beschikbare eenheden. Het boek, het tijdschrift
of het dagblad zijn zonder twijfel ook voorgeprogrammeerd,
zoals radio en tv, maar zij richten zich, gegeven de afwezigheid
van schaarste in informatiedragers (als bij de ether), slechts
tot een beperkte groep van consumenten. Het produkt vande
uitgeverij is dus als het ware geen confectieartikel, maar
,,taylor-made”. Met deze achtergrond omschreef ik dan ook
de uitgever als volgt 14):
..De uitgever is de professionele organisator van inhoud. verveelboudiging. openbaarmaking en verspreiding \ a n informatie voor
voldoende brede. specifieke groepen van afnemers. Het hoofdkenmerk hierbi-i is vooral de voldoende brede specifieke groep. Is de
groep tot welke hij zich richt niet breed genoeg. dan kan zijn arbeid
niet professioneel iijn: is deze groep het gehele volk omvattend. dan is
hij geen uitgever. De organisator van radio- en tv-uitzending is een
is
broadcaster. de uitge~er een narrowcaster. ook al kan zoals bij een
blad en een (bestselling) boek de oplage soms zeer groot rijn. De
uitgever is niet gebonden aan het papier als beelddrager. Zijn werkterrein kan rich tot elk ander medium uitstrekken, mits het maar
narroacasting is. Ook de organisator van een databank. systeem van
\ieadata etc. is een uitgever. Zeker de uitge~er
van de toekomst 7aì
dus per definitie multimediaal gericht dienen te zijn.”

Dat de folio-uitgeverij, als ,.narrowcasterWthans een werkterrein opeist, eveneens als ,,narrowcasterWbij de tele-uitgeverij, is geen vorm van machtspolitiek, maar een logisch
voortvloeisel van wat zij al eeuwenlang doet. De technologische en politieke ontwikkeling van de tele-informatie van
.,broadcasting” (tv en radio via de ether) naar ,,narrowcasting” geeft, zoals wij hebben ervaren, de zendgemachtigden
van de ,,broadcasting” aanleiding een eigen exclusieve claim
te leggen op de elektronische informatiedrager. Wij hebben
evenwel de indruk dat de hieruit blijkende verwarring van
logica en chronologica haar langste tijd heeft gehad. Er dient
dus geen exclusieve claim van wie dan ook op het reproducerende tv-toestel te bestaan voor iedere vorm van .,narrowcasting”, dus ook op het gebied van kabel-tv. viewdata en
soortgelijke uitzendingen. waarbij geen schaarste van golflengte meer bestaat.
Deze aangelegenheid klemt te meer als (zoals bij alle nietwetenschappelijke bladen) de handhaving van inkomsten uit
reclame wezenlijk is voor de exploitatie. De complementariteit van het folio- en het teleprodukt is dan ook alleen
optimaal mogelijk, als de reclameboodschap de tekst kan
volgen binnen dezelfde eenheid van exploitatie. De activiteiten van de Nederlandse uitgeverijen op het gebied van de
elektronische transmissie, zowel explorerend, initiërend als
plaatsbepalend, worden sinds 1972 gecoördineerd door de
Stichting Moderne Media (SMM) te Amsterdam. Dit gezamenlijke optreden beoogt ook de ontwikkelingsmogelijkheden voor het kleinere bedrijf onder de honderden uitgeverijen
te bevorderen. De voor de uitgevers kenmerkende pluriformiteit van het informatieaanbod kan ook in het tele-tijdperk ten
volle worden gehandhaafd.
De overtuiging dat een groot deel van de informatie in de
toekomst een geintegreerd produkt wordt, voortkomend uit
de gezamenlijke inspanning van uitgeverijen en andere leveranciers van informatie, van hardwarefabrikanten, van
service- en softwarebureaus heeft in 1979 geleid tot de door
deze achtergrond gesteunde Stichting Centrum voor lnformatiebeleid (CIB) te Den Haag. S M M hoopt met deze stichting,
andere organisaties van belanghebbenden en overheidsinstanties te komen tot een heldere formulering van een Nederlands
informatiebeleid dat ook past bij devoorzienbarerevolutionaire ontwikkelingen op het gebied van verzameling. opslag en
verspreiding van informatie. Het boek zal hierbij betrokken
zijn voor zover het de wenselijkheid betreft te komen tot een nationale centrale catalogus van alle in de bibliotheken beschik-

bare boeken. Het boek zelf zal slechts geleidelijk worden geïnnoveerd, gegeven zijn zeer specifieke inhoud en pluriformiteit
van titels.
In het begin van de jaren zeventig verwachtten velen snelle
uitbreidingen op het gebied van het bewegende beeld, aan het
eind van dit decennium wordt de word processing via het
stilstaande beeld een grote toekomst toegedacht. De natuur
maakt geen sprongen en de mens nog minder. Wezenlijk voor
het boek is niet de overlevingskans. mede door elektronische
transmissie, maar het voortbestaan van koopkrachtige, actieve en selectieve consumenten van informatie, die behoefte
hebben aan een brede (en diepgaande) behandeling van een
onderwerp op het gebied van fiction of nonfiction. Wij weten
dat de toekomst altijd langer is dan het verleden, maar
ondanks het lange verleden van het boek menen wij wel dat de
inhoudelijke functionaliteit van het boek een langere goede
toekomst zal behouden, ook in de tijd dat de consultatieve
media (viewdata, networks enz.) geschikt voor specifieke
bondige informatie tot wasdom komen. ..The free flowof information”alsadagium in de westerse wereld is bij het boek nooit
een (inter)nationaal kwantitatief maar kwalitatief begrip
geweest. Het heeft zin deze ontwikkeling verder te bevorderen.

R.E.M. van den Brink

13) Het is uiteraard mogelijk dat de uitgeverij 7ich. als economische
organisatie. bezighoudt met geluid of bewegend beeld. maar in dat
geval doet rij dit naar mijn oordeel niet als uitgeverij maar als
platenindustrie. filmmaatschappij. omroeporganisatie enz. Als omgekeerd een omroeporganisatie een programmablad uitgeeft.isdit een
uitgeversactiviteit.
i,at~deuitge14) Drs. R. E. M. van den Brink (bijdrage). Het~eheitn
\w. Deventer. 1978. biz. 102.

Auteurs